Spring naar inhoud

Eén tegen allen, maar wie tegen wie?

14 januari 2012
by

Filip van Laenen

Zolang Groen (toen nog Groen!) deelnam aan de federale onderhandelingen, zag de VRT zich genoodzaakt het beruchte cordon médiatique even in de kast te stoppen. Alleen de N-VA als Vlaamse oppositiepartij uitnodigen tegenover maar liefst vier regeringspartijen was zelfs voor de openbare zender een brug te ver. Maar het veto van Alexander de Croo tegen de groenen zorgde ervoor dat het cordon opnieuw uit de kast gehaald kon worden, en sindsdien is van het Vlaams Belang bijna geen spoor meer te merken in politieke programma’s.

Mogen we de cijfers over de politieke genodigden van De Zevende Dag als graadmeter gebruiken voor de vertegenwoordiging van de politieke partijen in de media? Hoewel de basis, slechts 122 politici, ettelijke grootteordes kleiner is dan dat van het bredere onderzoek dat onlangs gepubliceerd werd, zijn de conclusies toch opvallend gelijklopend. Het meest in het oog springend: de sterke ondervertegenwoordiging van de zogenaamde V-partijen, namelijk N-VA en Vlaams Belang. Hoewel de twee partijen samen meer dan veertig procent van de stemmen haalden bij de laatste federale verkiezingen, mochten ze amper een vijfde van de gasten leveren. Wie echter wat meer in detail gaat, en de cijfers per partij vergelijkt, kom al snel tot contrasten waaruit men niet anders kan dan concluderen dat de Vlaamse openbare omroep allesbehalve partijpolitiek neutraal is.

Vergelijk bijvoorbeeld N-VA en Open Vld: hoewel N-VA in 2010 dubbel zoveel stemmen haalde als Open Vld (28,2% tegenover 14,0%), mocht de Open Vld de helft meer genodigden voor De Zevende Dag leveren dan de N-VA (30 tegenover 19). Het argument dat de ene partij in de regering zou zitten, en daarom vaker aan bod zou mogen komen dan de andere, houdt voor deze partijen natuurlijk geen steek. N-VA zit immers federaal in de oppositie, terwijl Open Vld in het Vlaams Parlement op het oppositiebankje moet zitten. Zelfs het argument dat men toch geen twee N-VA‘ers tegelijk kan uitnodigen voor eenzelfde debat gaat niet op, want het verklaart nog niet waarom een partij die maar half zo groot is de helft meer keren naar De Zevende Dag mocht komen. Ook CD&V en sp.a, twee andere partijen die een pak minder stemmen haalden dan de N-VA, waren vaker te gast dan de N-VA (respectievelijk 27 en 22 keer). Als we bovendien wat strenger zouden zijn, en het triple-interview vanop de betoging in Linkebeek van 18 september met drie N-VA-kopstukken niet als drie gasten, maar slechts één zouden rekenen, dan komt zelfs Groen, met amper een kwart van de stemmen, in de buurt van de N-VA (14 tegen 17).

Grosso modo kan men zeggen dat de N-VA het afgelopen seizoen slechts de helft van de gasten mocht leveren waar het eigenlijk recht op had, als we tenminste de verkiezingsuitslag van 13 juni 2010 als uitgangspunt zouden nemen. Dit is een sterke ondervertegenwoordiging, maar er was een partij die het met nog minder moest doen. Vlaams Belang werd slechts zes keer uitgenodigd, terwijl het met 12,6% van de stemmen recht had gehad op ongeveer 15 uitnodigingen. Groen, een derde kleiner dan het Vlaams Belang, mocht bijna drie keer meer (14) naar de studio’s van De Zevende Dag komen, terwijl LDD, met minder dan een derde van de stemmen van het Vlaams Belang toch nog vier keer uitgenodigd werd.

Het valt bovendien op dat het Vlaams Belang in het begin van het seizoen nog regelmatig te gast was, maar eens Groen de federale onderhandelingstafel verlaten had, was de partij amper nog welkom in de studio’s. Misschien ligt het aan mijn slecht karakter, maar zou het kunnen dat men het vóór het veto van Alexander de Croo zelfs bij de VRT toch iets te bar vond om de N-VA als enige federale oppositiepartij tegenover de vier onderhandelende partijen te plaatsen? Eens Groen de federale onderhandelingstafel verlaten had was de situatie natuurlijk radicaal anders: plots kon men twee oppositiepartijen tegenover drie regeringspartijen plaatsen, en dus hoefde men het Vlaams Belang niet meer zo vaak uit te nodigen. Dat één van die twee oppositiepartijen door haar steun aan de staatshervorming toch niet helemaal in de oppositie zat was daarbij natuurlijk een detail waar men de kijker liever niet lastig mee wou vallen.

Het is daarmee duidelijk dat de V-partijen sterk ondervertegenwoordigd zijn, maar bovendien dat die ondervertegenwoordiging het Vlaams Belang veel harder treft dan de N-VA. (Het valt bovendien op dat de Open Vld wel heel erg gunstig behandeld wordt. De lezer die zag hoe Ivan de Vadder bijna letterlijk aan de lippen van Guy Verhofstadt hing zal waarschijnlijk wel begrijpen dat ondergetekende zo zijn vermoedens heeft over waarom dat zo zou zijn.) Maar de recente «klacht» van de N-VA dat de gemeenteraadsverkiezingen een strijd van één-tegen-allen wordt, daaronder te verstaan de traditionele partijen én het Vlaams Belang tegenover de N-VA, strookt dan ook niet helemaal met de waarheid. Als er in de media al een één-tegen-allen-strijd gevoerd wordt, dan nog steeds diezelfde, oude één-tegen-allen-strijd tegen het Vlaams Belang. En twee voorvallen bewijzen dat de N-VA daarbij niet helemaal vrijuit gaat.

Het eerste voorval vond tijdens de reeds vermelde uitzending van de De Zevende Dag van 18 september plaats. De VRT maakte er toen met de N-VA de afspraak dat drie kopstukken van de partij rechtstreeks vanop de betoging in Linkebeek geïnterviewd zouden worden, op voorwaarde dat het Vlaams Belang niet aan het woord zou komen. Dit is een hoogst merkwaardige afspraak, een beetje alsof ik met mijn linkerbuur zou afspreken dat mijn rechterbuur met zijn auto de straat niet meer in zou mogen. Of misschien correcter: alsof de VRT tijdens een milieubetoging drie mindere goden van de sp.a zou interviewen omdat de sp.a-voorzitter zijn kat stuurde, terwijl Groen mét partijvoorzitter en met een grotere delegatie parlementairen in de achtergrond dan maar braaf zou moeten staan koekeloeren. Misschien had de N-VA niet zo heel veel keuzevrijheid omdat het inderdaad ontegensprekelijk in een mini-cordon médiatique zit, maar anderzijds hoefde ze zich achteraf ook niet bij het huilkoor te voegen dat vond dat het Vlaams Belang een afspraak gebroken had waarvan het uiteindelijk toch alleen maar het lijdend voorwerp was. Galant kon men de houding van de N-VA al helemaal niet noemen.

Maar misschien nog meer voor de borst stuitend is de oneerlijkheid rond de recente mediarel over het optrekken van de koninklijke dotatie. Zoals Marc Hooghe opmerkte in De Morgen, maar dan vooral om ervoor te pleiten dat ook de N-VA doodgezwegen had moeten worden, was het wel degelijk het Vlaams Belang dat reeds vóór Kerstmis aan het licht bracht dat die dotatie omhoog ging, en helemaal niet omlaag. De mediarel ontstond echter pas toen Theo Francken van de N-VA deze budgettaire «rekenfout» van de regering–Di Rupo I enkele weken later recycleerde. En opnieuw kan men niet verwachten dat de N-VA een politieke concurrent zou verdedigen of zelfs in de bloemetjes zou zetten, maar, ook opnieuw, erg galant was dit toch weer niet. Je zal maar Barbara Pas heten, en Theo Francken een heel week-end lang in alle mogelijk media zien blinken terwijl je zelf twee weken eerder volkomen doodgezwegen werd. Van de stelling dat in de media een één-tegen-allen-strijd tegen de N-VA gevoerd zou worden blijft, voor wie nog een beetje intellectueel eerlijk wil blijven, niets meer over.

Maar de cijfers vertellen ook dat in Vlaanderen geen mediawetten nodig zijn om te bereiken waar Viktor Orbán in Hongarije waarschijnlijk zelfs nog niet van durft te dromen. Of precies van gruwelt. Het ziet er trouwens niet naar uit dat er in het nieuwe seizoen van De Zevende Dag veel verbetering op komst is. Zo mocht in de eerste aflevering PVDA-voorzitter Peter Mertens opdraven om er zijn boek «Hoe durven ze?» voor te stellen, samen met Dimitri Verhulst die het voorwoord schreef. Het werd een gezellig onder-onsje van een dik kwartier, samen met Indra Dewitte, dochter van een andere PVDA‘er en die in een ver verleden trouwens zelf nog op een PVDA-lijst gestaan heeft. En dat allemaal voor een boek waarvan er tegenwoordig uiteindelijk toch dertien in een dozijn verschijnen. Er kan gerust gesteld worden dat de PVDA, nog te klein om haar aanhang in een peiling te kunnen meten, hiermee voor minstens tien jaar oververtegenwoordigd is bij De Zevende Dag. We kunnen ons bovendien niet herinneren dat bijvoorbeeld Gerolf Annemans van hetzelfde voorrecht mocht genieten met zijn boek «De Ordelijke Opdeling van België», maar misschien vond de redactie van De Zevende Dag het onderwerp van dat boek niet actueel genoeg op een ogenblik dat federaal België totaal geblokkeerd zat. Of zou het aan iets anders gelegen hebben?

Zijn niet alle Republikeinen achterlijk en achterbaks?

7 januari 2012
by

Filip van Laenen

Met de voorverkiezingen in Iowa is het vierjaarlijkse circus van de Amerikaanse voorverkiezingen opnieuw losgebarsten, en dus is het tijd voor onze Vlaamse kwaliteitsjournalisten om zich nog eens voluit te laten gaan in hun anti-amerikanisme. En dat ze daarbij opnieuw op overtuigende wijze illustreren dat zij noch van Amerikaanse politiek, voorverkiezingen of statistiek veel kaas gegeten hebben zal hen zeker niet tegenhouden om die voorverkiezingen met veel stelligheid te duiden zoals alleen zij dat kunnen.

Voor wie zich mocht afvragen wat Caroline Gennez vandaag in De Standaard bezielde om zich plots op te werpen als dé specialiste van de Republikeinse voorverkiezingen: om meer was het haar eigenlijk niet te doen dan eerst de baarlijke duivel –en zijn de Republikeinen dat niet?– te mogen afschilderen, om aan het einde van haar stukje to the point te komen en een flinke sneer richting N-VA neer te pennen. Alsof de sp.a zich nooit bezondigd zou hebben aan «emo». Of «off the record-gespin». N-VA was er trouwens eerder deze week zelf nog het slachtoffer van, of hoe Caroline Gennez hiermee eigenlijk vooral heel hard «houd de dief!» roept. Als er bovendien in Vlaanderen één partij aan bloedarmoede lijdt, dan toch de sp.a. Inhoudelijk stelt de partij al jarenlang niets meer voor, en in Limburg is men er zelfs niet vies van het afval van andere partijen (ook N-VA-afval) op te scheppen om toch maar de lijsten vol te krijgen. Over in zijn eigen staart bijten gesproken!

Maar wie de nationale media volgt, vraagt zich soms toch af of de journalisten die er de dienst uitmaken misschien wel denken dat Vlaanderen niet alleen een Amerikaanse swing state is, maar zonder meer dé allerbelangrijkste swing state waar alles van afhangt. En dat het dus zaak is de kijkers en lezers goed in te prenten wat voor achterlijk en achterbaks ongedierte die Republikeinen wel niet zijn, en hoe sympathiek, intelligent en vooral ook totaal onbaatzuchtig die Democraten zijn. Van enige nuance hierrond kan in onze kwaliteitsmedia geen sprake zijn, laat staan dat al eens een Republikeinse kiezer opgevoerd zou worden waar de gemiddelde Vlamingen zich misschien toch van ver een heel klein beetje mee zou kunnen identificeren. Republikeinen, en dan bij uitstek de aanhangers van de Tea Party-beweging, moeten immers afgeschilderd worden als lokale dorpsgekken en randdebielen.

Laten we het echter maar zeggen zoals het is: als de Republikeinse partij deze herfst een hond met een hoed op zou voordragen voor de presidentsverkiezingen, dan zal een derde van de Amerikaanse kiezers daar zonder meer ook op stemmen. Caroline Gennez en Bruno Tuybens, die andere specialist in Amerikaanse verkiezingen, zullen dat met veel gretigheid willen bevestigen, en zelfs aangrijpen als bewijs voor hoe dom die Republikeinse kiezers toch wel niet zijn. Maar dat er net zo goed een ander derde Amerikaanse kiezers bestaat dat hoe dan ook voor de Democratische kandidaat stemt, ook al is die dan een hond met een muts op, daar hebben onze nationale duiders en specialisten het al iets moeilijker meer. Intellectueel eerlijk kan men dat echter niet noemen.

Maar het kan natuurlijk nog straffer, zoals voormalig sp.a-specialist in bankbonussen Bruno Tuybens deze week aantoonde. Wie beweert dat de verkiezingen in Congo beter en eerlijker verlopen dan de verkiezingen in de VS, heeft ze ofwel niet allemaal op een rij, of lijdt aan een ernstige vorm van anti-amerikanisme. Of moeten we nu echt denken dat er in Congo niet meer dan een stuk of twintig stemmen verkeerd geteld werden, of dat we in Iowa over verkiezingsfraude in de grootteorde van tientallen procenten moeten spreken? Dit gaat dus al lang niet meer over intellectuele eerlijkheid, maar over eerlijkheid tout court.

Dat Bruno Tuybens het bovendien nodig vindt die ponskaarten er nog eens bij te betrekken, is ronduit pathetisch. Na meer dan elf jaar zou je toch mogen verwachten dat Europees links stilaan over het verlies van Al Gore heen zou geraakt zijn, maar blijkbaar is niets minder waar. Bovendien zijn de feiten wat ze zijn: meerdere malen werden de stemmen in Florida geteld, en telkens was er een meerderheid voor George W. Bush. Het kamp van Al Gore had graag nog een extra telling gezien, maar niet een volledige voor hele Florida, enkel één in die districten waar hij sterk stond. Het Federaal Hooggerechtshof stak daar uiteindelijk een stokje voor, omdat men nu eenmaal niet tot in het oneindige kan blijven tellen, of tot er «eindelijk» een meerderheid voor Al Gore geteld zou worden. Terecht, want alleen hertellen in districten waar Al Gore sterk stond zou fundamenteel oneerlijk geweest zijn. Zo’n gerichte hertelling zou immers vooral meer stemmen voor Al Gore opleveren, om de eenvoudige reden dat eerder verworpen stemmen in zo’n district vooral in het voordeel van Al Gore gerecupereerd zouden kunnen worden. Maar dit zijn natuurlijk nuances waar een sp.a-politicus zich niet mee kan bezighouden. Onze nationale kwaliteitsjournalisten doen trouwens niet veel beter.

Overigens, nu we toch in de statistische afdeling beland zijn: de foutenmarge voor een menselijke stemmentelling zit ergens tussen een halve en een hele procent. Je moet dus al van heel goeden huize zijn om duizend stemmen helemaal correct te tellen, zeker als het zoals in Iowa ook toegelaten is gewoon de naam van de kandidaat op het stembiljet te kriebelen. Dit betekent dan ook dat Mitt Romney niet 30.015 stemmen haalde, of Rick Santorum 30.007, maar dat ze allebei pakweg 30.000 ± 200 stemmen haalden. Een discussie, ja zelfs een kleine mediastorm over een twintigtal stemmen die ergens verkeerdelijk in het voordeel van Mitt Romney geteld werden toont dus geen boze samenzwering van het establishment in de Republikeinse partij aan, wel de totale onkunde van journalisten over stemmentellingen en statistiek. Echt nieuws is dat natuurlijk niet, zoals we al langer weten aan de hand van de ondermaatse berichtgeving over politieke peilingen, maar de statistische puntjes mogen toch nog eens op de wiskundige i gezet worden. Voeg daar bovendien nog eens aan toe dat de resultaten van de voorverkiezingen in Iowa niet bindend zijn, en dat de stemmen dan nog eens proportioneel verdeeld worden, en je vraagt je af waar men het eigenlijk nog over heeft. Of moeten we het gewoon niet verder zoeken dan dat zo’n artikeltje over hoe erg het wel niet gesteld is met die domme Amerikanen toch zo lekker zit?

Terugblik op 2011

3 januari 2012
by

Filip van Laenen

Wat zal mij bijblijven uit 2011? Het jaar is nog maar pas om, maar enkele gebeurtenissen zullen alvast niet snel uit mijn geheugen verdwijnen. Een kort en uiterst persoonlijk overzicht.

Man van het jaar: Roger van Houtte

Eerst word je op achterbakse wijze aan de deur gezet omdat je dacht dat de eerste opdracht van een journalist eruit bestond je lezers correct te informeren, en dan pas te duiden. En als je dan jaren later plots overlijdt, vindt de krant waar je het grootste deel van je leven voor gewerkt hebt het nog eens nodig na te trappen («verliet» in plaats van in het beste geval alleen maar «buitengewerkt»). En zeggen dat als je geen socialist bent, je geen hart hebt.

O ja, als toetje vond minus habens Tom Cochez het nodig zijn steentje bij te dragen bij de veroordeling van Gazet van Antwerpen. Mag hij natuurlijk altijd, maar dan liefst wel correct, zonder de desinformatie. Want wat schrijft Tom Cochez? «Het Vlaams Belang als een partij zoals alle andere te beschouwen – dat deden in die periode alle Vlaamse kranten, met uitzondering van De Morgen»! Dat was nu net niet het geval, en dat was meteen ook de essentie van het hele verhaal rond het ontslag van Roger van Houtte. Of hoe iemand schijnbaar iemands verdediging kan opnemen om uiteindelijk toch weer vooral zichzelf in de bloemetjes te zetten. Wansmakelijk!

Plaats van het jaar: Ciergnon

Een goed jaar geleden zou 99,99% van de Belgen om de lieve dood nog niet geweten hebben wie of wat Ciergnon was. Maar zijne doorluchtigheid koning Albert II vond het begin september nodig precies daar –in zijn bescheiden chaletje in de bossen, zullen we maar zeggen– te gaan herstellen van een operatie van een uit de hand gelopen puist op zijn neus. Ik wil niet denigrerend doen over de operatie zelf, maar de vaudeville die de koning daarrond zelf in het leven riep tart toch elke verbeelding. Kan die man nu werkelijk niet eens drie dagen na mekaar in Brussel verblijven? Moeten we nu werkelijk geloven dat je in Ciergnon beter tot rust kan komen en herstellen van een operatie dan in een immens paleis in Brussel waar iedereen toch precies doet wat je wil als je maar eens met je vingers knipt? Inclusief stil zijn? Ik hoop dan ook vanuit de grond van mijn hart dat iedere Vlaming goed heeft gezien in wat voor minimaal stulpje koning Albert II daar in de verre wouden zat te herstellen – zo minimaal zelfs dat de cameraploegen hun sterkste telelenzen moesten bovenhalen om er vanop straat nog een beeld van te kunnen schieten. Om maar te zeggen dat ook de koning duidelijk last heeft van de financiële crisis.

Ogenblik van het jaar: 22 juli 2011, 15h26

Ik woon letterlijk ongeveer halverwege tussen het regeringskwartaal in Oslo en het eiland Utøya, en heb op meer dan twintig kilometer afstand de explosie kunnen horen. Later in de avond vlogen de helikopters voorbij, op weg naar Utøya, en de volgende dagen werd ik, net als de meeste Noren, meegezogen in de nieuwsstroom rond de aanslagen. Ik ken geen van de slachtoffers of overlevenden persoonlijk, maar zit net als de meeste Noren niet verder van hen verwijderd dan één enkele schakel. Of van de dader, want bijvoorbeeld een collega van mij zat in dezelfde klas als Anders Behring Breivik. Als er me dus, buiten de geboorte van mijn tweede zoontje, iets zal bijblijven van 2011, dan wel 22 juli en de dagen die erop volgenden.

En o ja, dan was er nog die paljas die het nodig vond de gelegenheid te gebruiken om een poging te wagen me persoonlijk te broodroven of de mond te snoeren. Uiteraard volledig anoniem, of wat dacht je. Hoe laag kan een mens eigenlijk vallen?

Tijdsperiode van het jaar: twintig uur onderhandelen

Over wat voor supermensen beschikken wij toch die 20 –twintig– uren lang kunnen onderhandelen, het nachtje door en dan nog eens de hele voormiddag, om vervolgens dan nog eens de pers te woord te staan zonder omver te vallen van de slaap? Persoonlijk zou ik het al lastig beginnen krijgen na een uur of acht onderhandelen op het scherp van de snee, maar ik ben dan ook geen politicus. Strafst van al: de marathonzitting ging over… de postjes, nochtans zowat het minst belangrijke aspect aan een regeringsvorming. Of dat is het toch wat ze ons bij herhaling proberen te doen geloven.

Haalde het overigens net niet: de meer dan 18 uur een week eerder, om te onderhandelen over de begrotingen voor 2012, 2013 en 2014. Twee uur minder dus, maar zonder verdere commentaar, want we willen niet populistisch overkomen, laat staan cynisch of verzuurd.

Video van het jaar: Bunga bunga aan het Noordstation

Of toch ergens in de omgeving van Brussel. Vermoeden we. Want hoewel er veel over te doen was, lijkt het wel of niemand ooit die beruchte video met in de hoofdrol Steve Stevaert echt gezien te hebben. Er bestaat nochtans geen twijfel over dat de video ook echt bestaat, want de voormalige «GOD» heeft ze zeer doeltreffend bevestigd door algeheel ontslag te nemen. Of het zou moeten zijn dat hij als socialist vond dat hij al voldoende binnen was. Niet iedereen is ACW‘er.

Haalde het overigens net niet: die andere video, van een burgemeester die hoopt later dit jaar een torenhoog resultaat neer te zetten, en daarvoor alvast eens duchtig oefende in een Zuiders land.

Uitspraak van het jaar: «Je bent de schaam van België»

Kon nog doeltreffender bewezen worden dat «les wallons c’est du caca»? En vooral, dat het onderwijs van het Nederlands in Wallonië, voor zover het natuurlijk al onderwezen wordt, ondermaats is? Zelfs in groep slagen ze er blijkbaar nog niet in een correcte Nederlandse zin van zes woorden op een spandoek te kliederen! «We drinken de staatsuitgaven terug» hoort trouwens in dezelfde categorie thuis.

Haalde het net niet, wat we de tweet van het jaar zouden kunnen noemen: «Gebruik vh woord ‘denktank’ moet gereglementeerd. Spontane gedachte na lezen domme onzin van VdCl». En dan zou Ghislain Londers niet mogen zeggen dat het vleesgeworden stuk chagrijn en rancune Yves Leterme geen groot staatsman is?

Wie we niet zullen missen in 2012, of waarvan we tenminste hopen niet veel meer van te moeten horen:

  • De regeringsonderhandelingen. Zonder twijfel.
  • Caroline Gennez. Omdat in de politiek de poppetjes en de postjes helemaal niet belangrijk zijn.
  • Yves Leterme. Ik heb echter zo’n vermoeden dat die topjob bij de OESO niet echt veel tijd van hem vergt (omdat hij zo’n buitengewone intellectuele capaciteiten bezit natuurlijk, en niet omdat het niet meer om het lijf zou hebben dan een bureautje en een appartement in Parijs, plus een secretaresse naar keuze die op tijd en stond eens gedekt dient te worden). Hij zal dan ook met de regelmaat van een irriterende klok in de Belgische media blijven opduiken met interviews en uitspraken waar de misplaatste zelfgenoegzaamheid van zal afdruipen.
  • Inge Vervotte. Kan me eigenlijk nu al amper herinneren wie of wat zij eigenlijk was.
  • Frank Vanhecke. Je kan ook een keer of vier–vijf te veel natrappen naar je voormalige partij. De N-VA verdient trouwens betere medestanders dan hem.
  • Guy Verhofstadt. Wordt het Europees Parlement niet stilaan wat te klein voor hem? Aan zijn ego te meten zou één of andere intergalactische raad, waar hij kan pleiten voor kosmo-obligaties en waar hij galactionalisme als bekrompen en crimineel kan bestempelen, al een heel stuk beter passen bij hem. Of anders de Gentse gemeenteraad natuurlijk.
  • Meyrem Almaci. Van fractieleider in de Kamer naar kandidaat-burgemeester in Antwerpen, maar waar ze met wat hulp van de media volgend jaar misschien wel de vierde viool in de gemeenteraad zal mogen spelen, ook al is dat nog steeds iets boven haar niveau, het is een promotie waartegen alleen Yves Leterme nog u zou zeggen. Maar hopelijk hoeven we haar plat links-populisme met nog minder inhoud dan de verzamelde toespraken van Caroline Gennez de eerste maanden niet meer te aanhoren.

De republikeinse uitdaging

3 januari 2012
by

Johan Sanctorum

Pleidooi om het begrip “cultuurnatie” op te frissen

Voor wie er nog aan moest twijfelen: minister-president Kris Peeters is niét voor Vlaamse onafhankelijkheid. Die vaststelling lijkt op het intrappen van een open deur, maar de laatste weken was daar enige verwarring over ontstaan, o.m. door een hoogstvreemde oproep aan Kris Peeters vanwege een zekere Jan Rogiers, broer van de overleden CD&V-topmedewerker Kris Rogiers, om “over te stappen naar de partij met de zuiverste, onbezoedelde en humane Vlaamse lijn”, zijnde de N-VA, die statutair nog altijd een oprichting van de Vlaamse republiek beoogt.

Uiteraard kwam daar geen antwoord op, maar als proefballon kan het tellen. En zou een grootscheepse “inbraak” van de CD&V in de N-VA geen gedroomde tactiek van het Trojaanse paard zijn, onder het motto “If you can’t beat them, joint hem”? De natuurlijke aanleg van Bart De Wever om met centrumrechts te flirten zou een en ander vergemakkelijken, en de belegen droom van een Vlaamsnationaal-Christelijk réveil nieuw leven inblazen, als het ware onder een opgefriste AVV/VVK-vlag.

Maar op maandag 2 januari zette Kris Peeters in De Standaard de puntjes op de i: neen, de CD&V kiest niet voor een onafhankelijkheidsverhaal, maar wel voor de deelstaatlogica binnen de Belgische federale context. Het is goed dat hier duidelijkheid over geschapen wordt: de positie van de CD&V is en blijft belgo-reformistisch, waarbij excuusflaminganten en onderkoningen zoals Kris Peeters, voorafgegaan door o.m. Gaston Geens en Luc Van den Brande, een mistgordijn moeten optrekken. Hun taak is om de republikeinse tendens, de onvermijdelijke politieke vertaling van de beruchte Vlaamse “onderstroom”, af te buigen naar een utilitair-pragmatisch compromismodel dat vooral gericht blijft op de verbouwing van het Belgische huishouden.

De Vlaamse christendemocraten hebben daarin een indrukwekkende staat van dienst. Het redden van de Belgische meubelen was onder Gaston Eyskens al de missie van de eerste staatshervorming in 1970, waar de Vlaamse meerderheid definitief werd geneutraliseerd via de beruchte grendelgrondwet. Als compensatie kregen we een jaar later een Cultuurraad, die zichzelf daarna tot “Vlaams parlement” zou bombarderen, zonder ooit de bevoegdheid te hebben van een echt parlement. Men denke ook aan de Byzantijnse discussies over een “Vlaamse grondwet”, die zo niet mocht heten, omdat die anders in tegenspraak zou komen met… de Belgische grondwet. Al deze mislukte eieren zijn uitgebroed onder CVP- en CD&V-kloekhennen, in dienst van een neo-Belgicistische agenda.

Vandaag klinkt het Peeters-pragmatisme vooral door in de talloze actieplannen en promotiecampagnes, gaande van de fameuze cuberdons (“neuzekens”, zie afbeelding), rondgestrooid tijdens het Belgische EU-voorzitterschap, tot ronkende maar weinig substantiële “innovatieprojecten” zoals Vlaanderen in Actie: marketingballonnen die de Vlaamse regering tot op vandaag lanceert om het politieke onafhankelijkheidsthema te overstemmen.

Vlaanderen onder Di Rupo: een schrik-bewind?

En met succes. 541 dagen federale regeringscrisis hebben de Vlamingen, mede dankzij de ratingbureau’s en het Di Rupo-theater, mentaal op de knieën gekregen. Ze hebben zich verzoend met een eeuwigdurend regime van lopende zaken. Er is nooit een separatistische meerderheid geweest, maar nu durft zelfs de N-VA het woord “splitsing” niet meer hanteren, zich bewust van het feit dat de tijdsgeest zich niet meer leent tot politieke avonturen, laat staan een revolutie. Volgens het conservatief adagium van De Wever heet het nu dat vooral de “middenklasse” moet worden beschermd,- een hypothetische categorie van welstellenden die zwalpt zoals het Medusa-vlot: iedereen probeert in het veilige midden te blijven, en wie van de rand afglijdt heeft pech gehad.

De schrik zit er dus in, Lamme Goedzak is helemaal terug. Terwijl, contradictorisch genoeg, de Waalse socialistische vakbond tegen “haar eigen” premier actie voert, bibbert de Vlaamse kleinburger en dankt hij de Heer dat we een federale regering hebben. De N-VA kan, met haar heterogene achterban, dit jaar nog wel een lokale verkiezing winnen, maar neem van mij aan dat het woord “onafhankelijkheid” niet zal voorkomen in de electorale slogans. Het idee leeft sterker dan ooit dat België om den brode moet geregeerd worden, en dat Vlaanderen zich moet tevreden stellen met het afknabbelen van bevoegdheden, om vooral zijn “middenklasse” te vrijwaren. Het fameuze centenflamingantisme dus. Onafhankelijkheid wordt daarbij als een irrealistische en zelfs catastrofale optie voorgesteld (K. Peeters: “Ik durf zelfs denken dat een volledig onafhankelijk Vlaanderen ons veel pijn zou doen, en ons jaren achteruit zou slaan”, DS, 2/1/12).

De schrik zit er dus in, Lamme Goedzak is helemaal terug: de Vlaming heeft zich verzoend met een eeuwigdurend Belgisch regime van lopende zaken.

Deze collectieve Vlaamse depressie is eigenlijk veel erger dan het feit Di Rupo-I op zich, met zijn kwakkele representativiteit. Het idee dat wij met een propere lei kunnen beginnen vanuit een historisch herstelpunt, en dat Vlaanderen zich als autonome natie kan profileren die op alle gebieden het verschil kan maken (sociale zekerheid, milieu, tewerkstelling, asiel en migratie,…) , is gedegradeerd tot een doemdenkbeeld. Dat is ook de reden waarom de francofonie, veel slimmer en listiger dan de Vlaamse meerderheid (zie ook verder), op een zeker ogenblik met een “Plan B” op de proppen kwam, zijnde een splitsingsscenario. Dat was nooit een ernstige optie, maar daarmee kon de Vlaamse weerbaarheid uitgetest worden, en die bleek nul komma nul.

Vanaf dan kon het chantagespel beginnen en kreeg het “Vlinderakkoord” vaste vorm, met als protagonisten de zielige hansworsten Beke en Decroo die met hun rug tegen de muur stonden, terwijl de Vlaamse linkerzijde, onder leiding van Caroline Gennez, hen mee het pistool tegen het hoofd hield. De schrik voor de hete adem van de N-VA, maar ook de angst voor een desintegratie van de Belgische staat, dreef de traditionele partijen tot het even traditionele compromis (met Guy Verhofstadt als deus-ex-machina), waarin BHV werd gesplitst, maar waarin bijvoorbeeld gans Vlaams Brabant geruisloos in een Brusselse invloedssfeer werd opgezogen,- de zgn. “metropolitane gemeenschap”. Dat laatste is dan weer een essentiële hoeksteen in een verfransingsstrategie die de Vlaamse meerderheid moet breken.

Het verdriet van België

Dat brengt ons op de valstrik van het meerderheidsdenken binnen de Belgische constructie. Onlangs las ik het tractaat “De Kwantumsprong – De wet breken om recht te halen” van Brecht Arnaert. Volgens zijn stelling volstaan vijf minuten Vlaamse politieke moed om, met de boekjes van de obscure filosofe/romanschrijfster Ayn Rand in de hand, de grondwet eenzijdig aan te passen, de grendels te verwerpen en onze meerderheid voluit te laten spelen. “De wet breken om recht te halen”, klinkt het stoer. België hoeft dan niet afgeschaft te worden, de Vlaamse onafhankelijkheid is “een zwaktebod”. In Laken knikt Albert II zonder twijfel goedmoedig bij het lezen van dit epistel: dit is een variant op de participationistische these die al 60 jaar meegaat, en die enkel méér Belgische ellende heeft opgeleverd. In wezen maakt B. Arnaert dezelfde denkfout als David van Reybrouck, die met zijn G-1000 een door-en-door vermolmde constructie wil renoveren.

Ik ga hier niet verder in op de tamelijk lachwekkende premis van het objectivisime, dat een politieke waarheid logisch “te bewijzen” zou zijn,- dat is een vrome illusie die ik sinds Aristoteles dood waande. We leven in een gespleten universum en politiek gaat over keuzes en strijd tussen “waarheden”. Het is niet alleen aan de politicus, maar vooral ook aan de burger om partij te kiezen: ook in de Twittermaatschappij zullen wij (opnieuw) moeten leren kleur bekennen, meningen staven, het conflict aangaan, en inzien dat dit allemaal ook existentiële gevolgen heeft, m.n. onze materiële en sociale conditie bepaalt.

Het verdriet van België is een verhaal van dubieuze vertalingen, uitgelokte misverstanden, francofone listigheid en Vlaamse dislexie.

Wat wel een uitgebreide repliek verdient, is de idee dat de Vlaamse meerderheid binnen het Belgische staatsverband de puntjes op de i zou kunnen zetten. Ten eerste is dat in demografisch en sociologisch opzicht een tweesnijdend zwaard. De Vlaamse meerderheid is namelijk niet zo solide en duurzaam als sommige wijsgeren uit het Heuvelland aannemen. Op microniveau is er het fenomeen van de rand rond Brussel, de inwijking en de verfransingsdruk, waarbij Vlaamse gemeenten op volstrekt “democratische” wijze onder een Franstalig bestuur komen. Grendels hoeven hier niet, men speelt gewoon de wet van het getal.

Op makroniveau hanteert de Belgische francofonie een andere tactiek, namelijk deze van een asiel- en migratiepolitiek die duizenden nieuwe (hoofdzakelijk Franstalige) Belgen oplevert, aangevuld met Vlaamse allochtonen, door links gerecupereerd, die de PS-agenda gedwee zullen uitvoeren. De schattingen zijn, dat binnen 10 tot 20 jaar de Vlaamse meerderheid in België geabsorbeerd zal zijn door Frans- en anderstaligen. Vanaf dan, ik geef het u op een briefje, zullen de grendels opgegeven worden, uiteraard niet zonder nieuwe Vlaamse toegevingen op financiëel of territoriaal vlak.

Maar het finale argument gaat zelfs niet over getallen,- het gaat over een cultuurclash. België is gewoon gemaakt en ontstaan vanuit een Latijnse logica: het is een casino waar we uiteindelijk altijd verliezen, ook al rinkelt de jackpot eventjes om de sfeer erin te houden. Met de regelmaat van de klok mispakken de Vlamingen zich aan de Machiavellistische logica van de francofone onderhandelaars, en dat zal niet anders zijn bij een “ontgrendelde” Vlaamse meerderheid. De wet zal niet “gebroken worden om recht te halen”; ze zal, binnen het Belgisch compromismodel, aangepast worden via een tekst die steeds twee lezingen toelaat, maar waarbij de francofone lectuur het uiteindelijk haalt. We hebben dan gewoon… niet goed gelezen. Want lezen is tussen-lezen (intel-legere voor de Latinisten): we zijn met andere woorden een slag dommer. Het verdriet van België is een verhaal van dubieuze vertalingen, uitgelokte misverstanden en Vlaamse dislexie.

Indianenverhalen

Bekijk hoe de aanslepende onderhandelingen, voorafgaand aan Di Rupo I, evolueerden: de onthullingen in De Standaard/Le Soir zijn bepaald ontluisterend voor o.m. de partijvoorzitters Wouter Beke en Alexander Decroo. Zie bv. “De twee atoombommen die niet mochten lekken” van 18 december j.l.

Als boertjes lieten ze zich om de tuin leiden door de francofone onderhandelaars, die in een (ongetwijfeld Franstalig geredigeerd tekstontwerp) allerlei valstrikken listig verstopt hadden.

Milquet confronteerde Beke met de kleine lettertjes van het getekend akkoord over de nieuwe staatshervorming (het ging over een tweetalige Kamer van de Raad van State, die alle geschillen aangaande de faciliteitengemeentes zou kunnen beslechten), waarna de CD&V-voorzitter begon te jammeren dat dit niet aan “de geest” van de tekst beantwoordden. De geest van de tekst! Men hoort het nauwelijks onderdrukte Homerisch gelach van de francofone onderhandelaars tot hier. Vlamingen die niet eens kunnen lezen, en zich dan op “de geest” van de tekst beroepen!

Dat ontbrekende inzicht in de cultuurkloof maakt dat de Vlamingen blijven verliezen, hoe hard ze ook werken en hoe soepel of “onverzettelijk” ze zich ook opstellen.

Ik koester een mengeling van morele verontwaardiging en intellectuele bewondering voor die francofone goocheltechniek van de dubbele bodem. Maar alleszins toont ze aan dat er in elke federale concertatie een soort ingebouwde, duurzame cultuurkloof sluimert. De Franstaligen goochelen, de Vlamingen kijken ernaar, tot ze merken dat hun zakhorloge weg is. In de Belgische slapstick worden de Vlamingen eigenlijk met de minuut dommer, omdat alle IQ-criteria tijdens de interlinguïstische (intercommunautaire/interculturele) confrontaties in het voordeel van de francofonie spreken. Zij bepalen de spelregels in een metataal die ik gerust “Belgisch” durf noemen. Ik heb het ooit vergeleken met de Indianen in Noord-Amerika, die hun land verkochten voor een paar kratten whiskey, omdat ze in hun taal niet eens een woord hadden voor “landeigendom”.

De verleiding om in te gaan op de francofone diplomatieke logica, waarachter een element van Cartesiaans rationalisme, Romeinse verglossing (“de kleine lettertjes”) én Machiavellistische sluwheid schuilgaat, plaatst ons bijvoorbaat in een ongelijke situatie. Dat ontbrekende inzicht in de cultuurkloof maakt dat de Vlamingen blijven verliezen, hoe hard ze ook werken en hoe soepel of “onverzettelijk” ze zich ook opstellen. Elke vertaling is een verraad (traditore, traduttore, om het in de taal van Elio Di Rupo te zeggen).

Van taalgemeenschap tot cultuurnatie

Wim Delvoye, de man die op zijn eentje de Vlamingen actuele kunst leerde haten

De bakkerin bij ons in Overijse lost het op haar eigen manier op. Zij neemt het zekere voor het onzekere en spreekt de klant in het Frans aan, volgens het principe van Pascal: betreft het een francofone inwoner, dan is die tevreden, en als het een Vlaming is, voelt die zich niet gekrenkt. Eventueel wordt de rest van de transactie tussen twee Vlamingen zelfs in het Frans afgesloten (al meegemaakt!), uit pure hoffelijkheid en behoefte om de talenkennis te etaleren.

Op die manier zou “het probleem” van de Vlaamse meerderheid nog veel sneller kunnen opgelost worden dan de grootste optimisten aan gene zijde van de taalgrens durven veronderstellen: België heeft ons zoveel hoffelijkheid en diplomatie bijgebracht, dat we alleen nog slecht Frans en bekakt Nederlands spreken. Dat is zelfs geen deelstaat meer waard. De mythe van de meertalige Vlaming heeft alleen maar het idee versterkt bij anderstaligen (ook bij EU-werknemers overigens) dat het Nederlands bij ons nauwelijks nog een voertaal is, waarom zouden ze dan de moeite doen om het aan te leren.

Dat brengt ons bij de these van het cultuurflamingantisme, die voor mij boven alle economische argumenten staat: zonder volwaardige cultuurruimte, die leeft via de taal en die politiek-staatkundig is afgebakend, blijven we negers met een stropdas in het koloniale Congo. We zijn dus gedoemd om het Nederlands te herontdekken, zoniet worden we opgeslokt door het zwarte gat van de indifferentie.

Een taal is namelijk veel méér dan een communicatiemedium, een “gebruikstaal”: onder het vocabularium zit een universum vol associaties, nuances, gevoelswaarden. De rijkdom van een taal situeert zich voorbij het register van de strikte betekenissen, in het onnoemelijk uitgebreid reservoir dat men het “collectief bewustzijn” noemt,- alle rationele-, ethische- en gevoelswaarden die we min of meer delen, zonder dat er iets van op papier staat. Daaronder zit dan nog iets veel vager en alomvattender, namelijk het “collectief onderbewuste”, ook wel de onderbuik genoemd,- een vettige stroom van driften en energieën, angsten en verlangens, die met onze historische conditie verbonden zijn.

Het Belgicisme van de Vlaamse culturele elite heeft haar zodanig van de “onderstroom” geïsoleerd dat de Vlaming zich bepaald “kulturfeindlich” gaat gedragen,- een fatale neerwaartse spiraal.

Het is aan de schrijvers, kunstenaars en intellectuelen om dit reservoir steeds weer om te woelen en te herkneden tot actuele cultuurobjecten die de gemeenschap in haar totaliteit aanspreken. We spreken dan over een “cultuurnatie”. Ze is pluriform en homogeen tegelijk. Frankrijk en Duitsland hebben zich, ondanks alle multiculturele en Angelsaksische druk, als dusdanig weten te handhaven, net omdat ze fundamenteel “ééntalig” zijn. Er loopt een lijn van Luther over Goethe tot Brecht, en een andere van Molière over Proust tot Houellebecq, die deze “cultuurgenen” doorgeeft en horizontaal distribueert. Zeker had elk van deze literatoren een eigen persoonlijkheid en stijl, en beslist waren ze allemaal op hun manier wereldburgers. Toch maak ik me sterk dat ook een winkelbediende in de Duitse Aldi een stukje Goethe spreekt en denkt. Ik weet het zeker, ik heb ooit een verpleegster van het Rode Kruis Wagner horen zingen op de parking van de Bayreuther Festspiele, hoewel ze daar alleen maar stond om gasten op te vangen die appelflauwtes kregen van de warmte. En zelfs al heeft die Aldi-cassière geen letter van Goethe gelezen, het zit in haar accent, haar intonatie, zinsbouw, woordkeuze, het ritselt in haar ondergoed. Zelfs Nederland cultiveert dat taalkundig-verbindend merkteken, en kijkt meewarig-vertederend naar de polyglotte, hoffelijke Vlaming die in vijftien talen stottert.

Het is dan ook een enorme handicap dat onze cultuurmakers zich van hun emanciperende missie niét bewust zijn. De Vlaamse schrijvers spreken en schrijven onze taal niet, ze frazelen maar wat in het luchtledige, ook en vooral net wanneer ze “volks” proberen te doen en in pissijntaal vervallen, genre Dimitri Verhulst. Het Belgicisme van de Vlaamse culturele elite heeft haar zodanig van de “onderstroom” geïsoleerd dat de Vlaming zich bepaald “kulturfeindlich” gaat gedragen,- een fatale neerwaartse spiraal. De hilariteit omtrent de kakmachine van Wim Delvoye, de Baas Gansendonck van de Vlaams-Belgische kunstwereld, is prototypisch.

Zolang deze Vlaamse kloof zich doorzet tussen elite en basis, zal ook de Belgische dubbelzinnigheid blijven overleven. Een verpletterende verantwoordelijkheid die onze boekenbeurscoryfeeën dragen. En de media die hen ten tonele voeren.

Res Publica

Ach, dat objectivisme. Objectief is er geen enkele reden om het Nederlands als cultuurtaal te handhaven. We kunnen ons snel laten verfransen, in afwachting dat het Engels de wereldtaal wordt. We kunnen dan de grenzeloze wereldcultuur assimileren, niets is makkelijker en voordeliger. Objectief is er ook geen reden om voor Vlaamse onafhankelijkheid te ijveren. De geldstromen van de sociale zekerheid kunnen zich omdraaien, en België geniet internationaal en Europees nog altijd meer krediet dan Vlaanderen.

De “clou” ligt elders. Het gaat om intersubjectiviteit en het niveau van de communicatie, die uiteindelijk het niveau van de democratie bepaalt. Sociale cohesie, niet als kleinburgerlijke gezelligheid maar als hoogburgerlijk bewustzijn van een gedeelde cultuur. De taalverloedering die zich in de audiovisuele media afspeelt, de VRT voorop, mikt, ik vrees zelfs met voorbedachte rade, op het indammen van die bewustzijnsverruiming. Men heeft schrik van het volk en zijn revolutionaire potentie, daarom moet het ondergedompeld worden in lullig amusement en sentiment, de leutigheid van de talkshow en de BV-ersatzcultuur waar, godbetert, ook Bart De Wever zich heeft ingegooid.

We moeten niet “inbreken” in een versleten grondwet, we moeten er een nieuwe opstellen, voor een nieuw land in een nieuwe tijd.

Terwijl wij naar een politiek-bewuste cultuur en een cultureel-bewuste politiek moeten toegroeien, ver boven en buiten de trivialiteit van het mediacircus. Ik heb vroeger al herhaaldelijk gewezen op de “literaire” dimensie van een collectief grondwetsontwerp. Het kan hier niet zomaar gaan om een quasi-onbegrijpelijk document, in elkaar geknutseld door juridische techneuten. Integendeel, moet dit constitutioneel charter haast een gedicht zijn dat door een kind van zes gekend, begrepen en doorvoeld is. De stenen tafelen van een volksgemeenschap dus. Een Bill of Rights, een oer-konde die vijfhonderd jaar moet meegaan. Ik weet het, het klinkt als waanzin in deze apokalyptische tijd. Toch is die nieuwe grondwet het enige dat ons kan redden van de totale nivellering en atomisering.

We moeten niet “inbreken” in een versleten grondwet, we moeten er een nieuwe opstellen, voor een nieuw land in een nieuwe tijd. Aan dat ontwerp moet een intens debat voorafgaan. De democratie speelt zich primair niet af in het parlement noch in het stemhokje, en ook niet in Thurn & Taxis, maar op straat, in de huiskamers, de cafés, de internetfora. Over alle ideologische grenzen heen, en zonder cordons, zullen de Vlamingen opnieuw moeten leren hun mond open doen en een pen leren hanteren, de kunst van de onenigheid ontdekken. De Vlaamse debatkring Res Publica is uitdrukkelijk met het oog daarop van start gegaan: als een intersubjectief platform dat uiteindelijk Vlaanderen cultureel, intellectueel én politiek (weer) op de kaart moet zetten. Het einddoel is een volwaardige eigen natie en niets minder, niet omdat we zo’n verstokte nationalisten zijn, maar vooral omdat we in een soort collectieve beschaving blijven geloven.

België kan in dat verhaal geen rol spelen, tenzij deze van distopie, negatieve plek, verzameling van ondeugden en voorbeelden hoe-het-niet-moet. De republikeinse uitdaging is anderzijds project en utopie tegelijk. Ik blijf erin geloven, meer dan ooit, ondanks de hatelijkheden van links en het reactionair geroezemoes van rechts. Voorbij het klassieke Vlaams-nationalisme moet hij ons bevrijden van alle oude kwalen en frustraties. Een kwestie van durven en springen. Herinneren, maar vooral ook vergeten, achter ons laten. Er leeft, dat weet ik zeker, ook en vooral bij de doorsnee-Vlaming, een verlangen naar zo’n “oerkonde” die een tijdperk afsluit en er een ander opent. Een tekstuele caesuur dus, een dwarssnede in de geschiedenislijn.

Ik zal eindigen met een zeer politieke uitspraak van Sören Kierkegaard, een universeel denker die leefde en schreef in een taalgebied dat nog kleiner is dan het onze:

“Het is beslist waar, zoals de filosofen zeggen, dat het leven naar achteren moet worden begrepen. Maar ze vergeten de andere kwestie, dat het leven naar voren moet worden geleefd.”

Waarop wachten we.

Johan Sanctorum

3/1/2012

PS en FGTB – wie is de hond, en wie de staart?

26 december 2011
by

Filip van Laenen

De regering–Di Rupo I was nog niet goed uit de startblokken, of ze had al een eerste ernstig sociaal conflict aan het been. Er bestaat echter weinig twijfel over dat deze regering wel degelijk zal overleven tot 2014, dankzij de anti-N-VA-cement die de zes plus twee partijen sterk aan mekaar bindt. Van een leien dakje zal het echter niet lopen.

Als we de eerste «onthulling» uit de nieuwste kerstserie van De Standaard en Le Soir mogen geloven, dan fungeerde ook deze keer Guy Verhofstadt als vroedvrouw bij de geboorte van de federale regering. Een straffe onthulling, maar helemaal niet ongeloofwaardig. We merkten eerder zelf ook al op dat Elio di Rupo perfect werkt als komediant-intrigant, maar niet als een leider (noch als formateur of als eerste minister) die knopen moet kunnen doorhakken. Terloops, ook Guy Verhofstadt bewijst hiermee dat wat hem betreft het voortbestaan van België primeert op alles, want uit de schilderingen die gegeven worden komt duidelijk naar voren dat wat hem betreft elk compromis een goed compromis was, als er uiteindelijk maar een federale regering gevormd werd. Het interesseerde hem zelfs geen zier wat precies de breekpunten van de Open Vld waren, als hij ze maar naar zijn kameraad Elio di Rupo kon doorcommuniceren om «het spel» opgelost te krijgen. Wanneer zou deze man, in een ver verleden nog de auteur van een pak burgermanifesten, zich eindelijk baron of burggraaf mogen noemen?

Maar deze onthulling leert ook dat te verwachten valt dat deze regering–Di Rupo I sterk zal lijden onder een chronisch gebrek aan leiderschap, met alle chaotische toestanden tot gevolg. Een voorsmaakje van die chaos kregen we deze week al eens geserveerd, met de verwarring rond de hervorming van de pensioenen. De bevoegde minister Vincent van Quickenborne kan men inderdaad geen klein beetje gebrekkige communicatie verwijten –het leek wel de 2.0-versie van de beruchte «snel en efficiënt» van zijn leermeester Guy Verhofstadt–, maar dat neemt anderzijds toch ook niet weg dat eerste minister Elio di Rupo dagenlang in geen velden te bespeuren was. Had hij het te druk om het gepaste strikje of de juiste kleur van lippenstift te vinden voor zijn toespraak in de Kamer? Of liet hij zijn minister van Pensioenen bewust een paar dagen stoven in eigen nat, kwestie van hem meteen op zijn plaats te zetten en te leren wie echt de baas is in deze regering, en vooral, in dit land?

Wat dat laatste betreft zit er in het behang van deze regering een vraag verscholen waarover het tot nu toe in de media akelig stil is gebleven. Het is nochtans dé vraag die zal bepalen wat er de komende maanden te gebeuren staat in België: zakt het land verder weg in het sociaal-economisch moeras, of komen er alsnog echte hervormingen die het weer op het juiste spoor kan zetten? Maar blijkbaar is het in de «kwaliteitsmedia» nog steeds taboe om vragen te stellen over de échte fundamenten van dit land, en heeft men het liever over ongevaarlijke zaken als een koning Albert II die «zeer verheugd» is dat hij dit jaar niet gedwongen met pensioen gestuurd werd.

Waar het immers de volgende maanden echt om zal draaien, is of de PS niet meer is dan de kwispelende staart van de FGTB-hond, dan wel of de FGTB-staart in bedwang zal gehouden kunnen worden door de regeringshond PS. Sommigen zijn van mening dat de huidige sociale onrust niet meer is dan een opbod tussen de drie grote vakbonden met het oog op de sociale verkiezingen van volgend jaar. Ik zou zeggen, laten we hopen dat ze daarin nog gelijk hebben ook. Maar ik word soms toch nog met verbazing geslagen wanneer zelfs de Vlaamse vakbondslui niet schijnen begrepen te hebben dat ook in België de gebraden kippen niet in de lucht rondvliegen. Het valt nog te begrijpen dat de Waalse takken van de vakbonden het fundamenteel onrechtvaardig vinden dat sommigen van hun leden af en toe eens tegen hun zin vroeg moeten opstaan om te gaan werken als er toch genoeg Vlamingen zijn om alle uitkeringen te betalen, maar aan Vlaamse kant zou je toch iets meer realiteitszin verwachten.

Een paar maanden geleden zou ik echter nog geschreven hebben dat een eerste minister Elio di Rupo de Waalse vakbondstroepen met een knip van de vinger wel in het gareel zou kunnen houden als dat nodig zou zijn. De afgelopen week heeft aangetoond dat dit misschien toch niet helemaal het geval is. Dat men aan Waalse zijde gretiger aan een staking deelneemt dan aan Vlaamse zijde zal hoegenaamd geen nieuws zijn voor mijn lezers, maar dat men op dinsdagavond al spontaan het werk neer begint te leggen als «voorbereiding» op een algemene staking op donderdag is toch wel straffe kost. Het contrasteerde trouwens des te meer aangezien de staking op donderdag in Vlaanderen niets anders genoemd kan worden dan net geen mislukking, want de gemiddelde Vlaamse ambtenaar had netjes zijn voorzorgen genomen en zat lekker thuis te werken. Geen stakingspiketten die je moet trotseren, en zonder vergaderingen ben je al snel een pak productiever dan anders!

Maar als de FGTB haar stoottroepen niet helemaal onder controle heeft, en Elio di Rupo heeft via de PS de FGTB niet onder controle, dan zou het prille herwonnen geluk van de koning wel eens van heel korte duur kunnen zijn. Want inderdaad, als er één ding is waarvan men in Laken ‘s nachts onder het bed ligt te bibberen, dan wel Waals, socialistisch straatgeweld. Daar zijn gebalde vuistjes en een gespeeld boze toon in een televisietoespraak immers niet tegen opgewassen, zoals de familiegeschiedenis van de Saxen-Coburgers ons ook leert. Zoiets werkt misschien perfect op de quislingetjes van CD&V, sp.a en Open Vld om toch maar eindelijk braaf en zoals van oudsher hun bord linzensoep op te beginnen lepelen, maar Waalse metallo’s raken van zoiets niet bepaald onder de indruk. Om niet te zeggen dat het louter zou provoceren.

2012 zou dus best wel eens een interessant jaar kunnen worden, maar een vroegtijdige val van de pasgevormde federale regering hoeven we nog niet onmiddellijk te verwachten. Zowel de korte- als de lange-termijnvoordelen van België voor het Waalse politiek-syndicaal complex zijn daarvoor nog steeds te groot. De pensioenhervorming waartegen vooral Wallonië storm lijkt te lopen is bovendien, en ironisch genoeg, precies op maat van Wallonië gesneden –met ArcelorMittal als dankbaar excuse du jour–, zodat het vooral de Vlamingen zullen zijn die binnenkort twee jaar langer zullen moeten gaan werken. Vergis je immers niet, beste lezer, met de heropleving van de Waalse economie is het net zoals met Elio di Rupos verbeterde kennis van het Nederlands: reeds vele malen aangekondigd, maar nog nooit werkelijk waargenomen. En meer is blijkbaar ook niet nodig om de Vlaamse onderdanen koest aan de Belgische ketting te houden.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 33 other followers