Journalisten twitteren zoals ze gebekt zijn
Filip van Laenen
Een tweet die iets te snel en ondoordacht de wereld wordt ingestuurd, het kan de besten overkomen. Zo bijvoorbeeld ook journalist en toneelauteur Luc van Balberghe, die op de avond van de aanslag op de marathon in Boston «Is het misschien geen tijd om een (atoom)bommetje te gooien op Mekka?» schreef. Meteen kreeg hij heel weldenkend Vlaanderen over zich heen. Maar hij was lang de enige niet die deze week nogal kort door de bocht ging.
Fijnzinnig kunnen we de tweet van Luc van Balberghe natuurlijk niet noemen. Bovendien was ze heel kort door de bocht, want pas enkele dagen later zou blijken dat de aanslag gepleegd werd door de gebroeders Tsarnajev. Dat Luc van Balberghe uiteindelijk toch gelijk zou krijgen over de achtergrond van de daders, bewijst nog niet meteen zijn doorzicht of scherpzinnigheid, maar wel dat het bij een spectaculaire aanslag in het Westen nog steeds veiliger is te gokken op een moslim-radicaal motief dan de schuld bij extreem-rechts te leggen.
Luc van Balberghe kreeg echter wel in een mum van tijd heel weldenkend Vlaanderen over zich heen, zowel op Twitter als in de «kwaliteitspers». Zelfs een paar dagen later vond een Joël de Ceulaer het nodig om in De Standaard nogmaals een boompje op te zetten over die naar zijn mening toch wel bijzonder onwelvoeglijke tweet. Hij had wel het geluk dat hij geen dag langer met zijn stukje gewacht had, want toen was het plots gedaan met de zelfgenoegzame pret bij links.
Gebroeders Tsarnajevs verpesten links feestje
Luc van Balberghe was immers de enige niet iets vlugger tweette dan goed was voor hem. Zo ook Ivan de Vadder, die op Twitter «Waco en Oklahoma, inderdaad allebei op 19 april. Nu ook #bostonexplosions» observeerde. Op 15 april. Heeft de zelfuitgeroepen «fact checker» van De Zevende Dag het op z’n 48ste nog steeds een beetje moeilijk met het lezen van de kalender, of was de wens de vader van de gedachte? Erg lang duurde die gedachte echter niet, want een minuut later was de tweet weer gewist. Dan toch maar liever Luc van Balberghe, die zijn tweet gewoon liet staan.
Enkele dagen later was Ivan de Vadder al een pak eerlijker, toen hij op Twitter toegaf «die had ik niet zien komen @AP RBEAKING: AP sources: Boston bomb suspects from Russia region near Chechnya, lived in US at least 1 year». Dat zegt natuurlijk veel, maar verbaast anderzijds niet echt. Collega Björn Soenens, op de VRT gewoonlijk voorgesteld als VS-kenner maar in feite vooral VS-hater, analyseerde er immers dagenlang rustig op los hoe het Amerikaanse platteland tjokvol Obama-haters zit die de hele dag gekluisterd naar extreem-rechtse haatradio’s zitten te luisteren. Waarbij het er natuurlijk vingerdik op lag dat «extreem-rechtse haatradio» een pleonasme is, want zijn niet alle haatradio’s extreem-rechts, en alle extreem-rechtse radio’s haatradio’s? Toen bleek dat de daders van de aanslag dan toch geen lidkaart van de Tea Party op zak hadden, en geen levensgrote posters van Sarah Palin op hun slaapkamer, viel de media-aandacht voor de aanslag in Boston meteen enkele grootteordes terug. Van Björn Soenens hebben we de laatste dagen trouwens niet veel meer gehoord. (We hebben hem trouwens gemist als kiespijn.)
Cui interest?
De eerlijke bekentenis van Ivan de Vadder toont echter ook aan dat de ideologische verblinding bij onze kwaliteitsjournalisten vrijwel compleet moet zijn. Blijkbaar spuien ze niet alleen massaal rood-groene propaganda, ze lijken er nog zelf in te geloven ook. En dan gebeurt het natuurlijk dat men bij gebeurtenissen zoals de aanslag in Boston geen nuchter antwoord meer kan geven op de eerste vraag die gesteld moet worden op zoek naar een motief voor deze verschrikkelijke daad: cui interest? Want wie heeft er werkelijk belang bij dat mensen niet meer op straat durven te komen, en al zeker niet bij massamanifestaties zoals een marathon?
Op 19 april 1995 liet Timothy McVeigh een vrachtwagen vol met explosieven inrijden op een gebouw van de federale overheid in Oklahoma City. 168 mensen kwamen om, en meer dan 680 mensen raakten gewond. Het bleef de meest dodelijke aanslag op Amerikaans grondgebied tot 11 september 2001. Maar doel en motief lagen wel in mekaars verlengde: Timothy McVeigh haatte de overheid, en dan in het bijzonder alles wat met wapencontrole te maken had en de manier waarop de belegering van Waco uitgevoerd werd. Als reactie op die belegering besloot hij een aanslag te plegen een gebouw van de federale overheid, en dat deed hij ook. Die belegering van Waco, met de bloedige ontknoping op 19 april 1993 toen de FBI de gebouwen waar de Branch Davidians zich verschanst hadden bestormden, was zelfs geen aanslag. Van die twee gebeurtenissen naar twee gesynchroniseerde bommen tegen een massamanifestatie, zowat hét handelsmerk van Al Qaida, is dan ook een grote stap. Zeker als je bedenkt dat als 11 september 2001 al voor iets gezorgd heeft, dan wel voor net een pak meer staat en een hele reeks nieuwe commissies, wetgevingen en contoles. Met andere woorden, niet echt dat waarop mensen van het slag van Timothy McVeigh op zitten te wachten.
Wat met de Obama-haters van Björn Soenens? Ook zij hebben weinig belang bij een aanslag op een massamanifestatie als in Boston. Zulke gebeurtenissen zijn trouwens meestal in het voordeel van de zittende president, omdat ze hem de gelegenheid geven op te treden als een troostende en verzamelende steunpilaar voor de natie. En dat moet toch zowat het laatste zijn waar een Obama-hater op uit is. Een actie die dan ook veel beter past bij het profiel van de typische Obama-hater is dat van de gifbrief. Toevallig werden er deze week enkelen onderschept, maar voorlopig lijkt het erop dat de verzender van de brieven ze gewoon niet helemaal op een rij heeft, en niet meteen als Obama-hater geklasseerd kan worden.
Slachtoffers van de maatschappij
Greet de Keyser, tot voor kort correspondent voor de VRT in de VS en vooral bekend om haar smachtende Obama-reportages, was er ook snel bij om één en ander te relativeren toen meer bekend raakte over de achtergrond van de gebroeders Tsarnajev. Zo wist zij in bovenstebeste Rik Coolsaet-stijl te melden dat «2 broers hadden waarschijnlijk weinig back-up. Gisteren overvielen ze een supermarktje voor geld Lijkt niet op groots gecoördineerd complot». Alleenstaande gevallen dus. En merk ook op hoe de argumenten al in stelling worden gebracht om van de twee daders slachtoffers van de maatschappij te maken, en dus ook de échte slachtoffers van het hele verhaal. Dat de jongere broer Dzjochar bijvoorbeeld twee jaar geleden nog een beurs van 2 500 dollar had gekregen om verder te studeren had ze niet opgemerkt. En dat uit de carrière van Tamerlan en Dzjochar Tsarnajev vooral blijkt dat Amerika vooral gul was met kansen voor de twee broers ook. Greet Dekeyser is dan misschien geen VRT-correspondente meer, het motto horen, zien, en verzwijgen wat niet verdraaid kan worden voert ze nog steeds hoog in haar vaandel. We zijn dan ook niets anders gewoon van ons progressief journalistenclubje.
Dit artikel verscheen op 24 april 2013 in ‘t Pallieterke.
Johan Sanctorum
Dankzij Koning Pils mag Prins Filip weer hopen.
De Nederlanders hebben hun monarchie-orgasme gehad, de oranje hoeden kunnen weer opgeborgen worden. Ons, republikeinen, interesseert vooral hoe dit evenement afstraalt op de ontwikkeling van het Belgische huishouden, de positie van de Coburg-dynastie en de Vlaamse beweging met haar dubbelzinnige post-Belgische agenda. Dubbelzinnig? Inderdaad. Ooit, in de koningskwestie van 1950, en het referendum over de terugkeer van Leopold III, waren het de Vlamingen die het Belgische vorstenhuis overeind hebben gehouden. Dat was na W.O. II, toen er te lande een opstoot van vaderlandslievendheid te bemerken viel, en de collaborateurs nog achter slot en grendel zaten.
Het Belgische vorstenhuis heeft in Vlaanderen sindsdien veel van zijn pluimen moeten laten, maar de republikeinse gedachte is nauwelijks geëvolueerd. Niet bij links (toch een ideologische inconsistentie) of bij de traditionele partijen (uiteraard), maar eigenlijk ook niet in de Vlaamse beweging zelf, die nog al te zeer wortelt in het katholiek-conservatief paradigma. Het attavisme is er troef. Wie ideologen uit die hoek, genre Matthias Storme, beluistert of leest, beseft hoe moeilijk ze het hebben om de Vlaamse onafhankelijkheid te combineren met het afstoten van een instelling als het koningshuis. Dus wordt er maar wat af gekletst in colloquia allerhande, en komt men nooit ter zake. Of wordt er zelfs gelonkt naar een Groot-Nederland, godbetert onder de Oranje dynastie. Terwijl die Hollanders toch blijven zweren bij de Belgische patat en Vlaanderen helemaal niet zien als een proto-natie, zoals we eerder al vast stelden.
Hoe verlicht is de “Vlaamse beweging”?
Bart De Wever zat er niet eens ver naast, toen hij stelde dat “de Vlaamse beweging beter kan ophouden, te bestaan”, ook al was zijn schaduwideoloog Peter de Roover er als de kippen bij om die uitspraak te relativeren. De Vlaamse beweging, eigenlijk een allegaartje van verenigingen, serviceclubs, en bijklussende schoolmeesters, moet inderdaad dringend de transitie maken naar een moderne, 21ste eeuwse republikeinse status. Daartoe moet men heel het besmet conservatief gedachtegoed historisch durven duiden en het Vlaamse onafhankelijkheidsperspectief koppelen aan een liberaal-progressieve (dit uiteraard in de filosofische betekenis van het woord) lekenstaat die identitair met zichzelf in het reine is gekomen en op Europees vlak een eigen koers vaart. Het Franse cultuurmodel dus, gecombineerd met een Skandinavische sociaaldemocratie.
Onze prognose is echter -en hopelijk hebben we ongelijk-, dat de conservatieve Vlaamse elites uiteindelijk eieren voor hun geld zullen kiezen, en nog liever een opgekalefaterde Belgische monarchie zullen verkiezen dan een Vlaamse republiek waarin bv. de katholieke kerk haar privileges verliest, en de staat anderzijds een aantal kerntaken, eigen aan de Res Publica, resoluut naar zich toetrekt (milieu, energie, gezondheid, sociale zorg, een publieke spaarbank,…). De Vlaamse beweging is dus brozer dan men denkt: ze blijft sluimeren in de reactionair-conservatieve bedding die vandaag vooral door de N-VA wordt aangeboord, en waar bizar genoeg, ook drukkingsgroepen zoals de Gravensteengroep aansluiting bij vinden.
Terwijl, merkwaardig genoeg, vandaag vooral het Vlaamse Belang net wél voor een radicale breuk met België gaat, en daar nu zelfs een sociaal zeer progressief maatschappijbeeld aan koppelt. Links staat erbij en kijkt ernaar.
Prins Pils als rolmodel
Het restauratiedenken zit dus diep in het klassieke flamingantisme zelf. Ik heb een vermoeden dat de kringen dicht bij het Koningshuis eigenlijk niet beseffen hoe zwak de Vlaamse beweging, met haar traditionalistische verankering, eigenlijk wel is. Zo lang de Vlamingen niet republikeins-revolutionair denken en voelen, is er voor het Hof eigenlijk niets aan de hand. België kan dan overleven, in zijn postmoderne, confederalistische vorm met een “protocollair” koningshuis dat toch discreet aan vele touwtjes trekt. Een droomscenario voor kroonprins Filip?
Het is alleszins exact de positie van de kersverse Nederlandse Koning Alexander, die het comfort geniet van een protocollair staatshoofd te zijn, maar ondertussen wel in de regering zit, maandelijks met de premier overlegt, en zelfs voorzitter is van de Raad van State, het hoogste rechtscollege. Geen kat die dat weet, en dat is handig: het democratisch deficit is discreet en wordt vrijwel uit het blikveld van de media gehouden.
Ondertussen kan Alexander, de gewezen Prins Pils, verder werken aan een populistische regie rond zijn persoon, vooral gebaseerd op “positieve waarden” zoals warmte, gezelligheid, verbondenheid, en dies meer. Het cement van de samenleving als het ware. Zonder twijfel geldt deze Alexander ook als een rolmodel voor de harkerige prins Filip, en wordt in Laken ijverig bestudeerd hoe dit Hollands monarchiemodel kan gecopiëerd worden op de veel complexere Belgische situatie.
En jawel, er komt steun uit onverwachtse hoek. Zopas liet N-VA-kamerlid Theo Francken optekenen dat zijn partij “wil meewerken aan de hervorming van de Belgische monarchie”, dit vanuit het perspectief van een Realpolitiker: nogal wat Vlamingen bekennen zich volgens hem wel tot de koekendozenromantiek. En in het parlement is geen meerderheid te vinden voor een republikeinse Wende, aldus Francken. Bij nader toezien een vreemde redenering. Want waartoe dient een partij nog, als ze haar standpunt afstemt op dat van de anderen, of gewoon de publieke opinie achterna loopt?
Samen met de Vlaamse onafhankelijkheid wordt dus ook het afschaffen van de monarchie naar de Griekse kalender verwezen. Door de tactische weigering om sneller te willen gaan dan de politieke mainstream, kiest de N-VA eigenlijk voor de achteruitversnelling,- de restauratie dus. Andermaal: niet zo bij het Vlaams Belang, die daarmee de meest progressieve Vlaamse partij wordt. Het kan verkeren.
Ondertussen in de media
Laten we het tenslotte nog eens even hebben over de media –of wat daarvoor moet doorgaan- van die Vlaamse beweging. Wat de geschreven pers betreft, heerst er vooral rancune over de ontzuiling van een krant als De Standaard (vele Vlaamse katholieken voelen zich nog steeds verlaten na het verdwijnen van het AVV-VVK-logo). Maar concrete aanzetten tot een eigen Vlaams-nationale media-actie zijn er niet. Nu Mark Grammens de pen definitief heeft opgeborgen, en men niet in staat bleek om zijn Joernaal een vorm van continuïteit te geven, is het huilen met de pet op wat de geschreven pers betreft. Het weekblad ‘t Pallieterke is, sinds zijn ontstaan onmiddellijk na W.O. II, altijd zijn eigen zelve gebleven: rommelig, zurig, intellectueel ondermaats, en met een zin voor humor waarin alle subtiliteit ontbreekt. Het zit trouwens perfect in die rechts-conservatieve en katholieke bedding, en is daar zo trouw aan dat het blad zichzelf elke week copieert als een parochieblad met bruine randjes. Voor mensen, jonger dan 50, geldt het blad als onleesbaar. Hoofdredacteur Karl Van Camp telt dagelijks de overleden abonnés.
Het maandblad Doorbraak anderzijds, functioneerde behoorlijk als ledenblad van de Vlaamse Volksbeweging, en probeerde daarin boven de partijpolitiek te staan: geen sinecure, gezien de open vijandigheid tussen de twee “V-partijen”, N-VA en Vlaams Belang. Binnen die bescheiden ambities was het blad behoorlijk van kwaliteit. Nu het zich formeel heeft losgemaakt van die VVB, en zich als “onafhankelijk magazine” presenteert, lijkt het blad, zoals ik het analyseer, sterk op weg naar het statuut van een officieuze N-VA-partijkrant. Geaffilieerden met deze partij (J.P. Rondas, Matthias Storme, Dirk Rochtus) en dito sympathisanten (huisideoloog Peter De Roover, uitgever Karl Drabbe, en carrièreflamingant Frank Thevissen, ooit VLD-er maar in ijltempo afvlottend naar de partij met meer winstkansen) maken er de dienst uit. Voor ons niet gelaten. Maar daarmee is weer een kans gemist om het Vlaams-republikanisme, als opvolger van de Vlaamse beweging, intellectueel én publieksgericht te ontwikkelen in een vrijgevochten pers.
Samengevat: prins Filip moet nog niet wanhopen. Een stilistische snelcursus kan wonderen doen. Afscheren alvast, die baard, en wat snediger door het beeld huppelen. Tenzij de Vlamingen natuurlijk écht wakker schieten en à la Française de republiek uitroepen. Het zal dan wel zonder sympathie zijn vanuit de Oranje-hoek, voor wie daar mocht op rekenen. Dus moeten we het maar alleen doen. Koning Pils is de bondgenoot niet van het Vlaams-nationalisme. Of dachten naïeve, Groot-Nederlandse TV-kijkers gisteren soms van wel.
Wie richt een V-bank op?
Filip van Laenen
«Nieuwe bank “New B” al over helft beoogde coöperanten» schrijft De Standaard op 25 maart. Een dag later: «Nieuwe bank New B haalt 10 000 coöperanten», met bij de collega’s van De Morgen een iets sensationelere «New B bereikt doelstelling van 10.000 coöperanten op 48 uur» . Op 28 maart luidt het bij De Standaard «“We gaan de teller [99.999] kraken”», terwijl men in De Morgen «Bescheidenheid is niet het enige wat New B siert» kan lezen. Op zaterdagochtend kreeg coördinator Marc Bontemps vervolgens een reclamevak van een klein uur als partner bij het Radio 1-programma Peeters & Partners. Twee dagen later blijkt dan dat er «Al 26 000 coöperanten voor New B» zijn. Conclusie: als ze over iets alvast niet te klagen hebben bij New B, dan wel de aandacht/steun van de media. Zou een V-bank ook op zoveel steun kunnen rekenen?
Wie is die Marc Bontemps eigenlijk? De professionele website LinkedIn leert ons dat de huidige «Executive» bij New B zijn diploma aan de VUB haalde, en dat hij eerder al bij Vigeo Group, Global Action Plan en Ecolife aan het werk was. Vermoedelijk kan de lezer alleen al uit de namen «Global Action Plan» en «Ecolife» afleiden wat voor vlees we met die twee organisaties in de kuip hebben. Voor Vigeo Group hebben we het eens moeten opzoeken, en het blijkt een in 2002 opgericht bedrijf te zijn dat zichzelf omschrijft als de «toonaangevende Europese expert in de beoordeling van bedrijven en organisaties met betrekking tot hun praktijken en prestaties op gebied van milieu-, sociale en governancevraagstukken». Daar hoeft dus verder ook geen tekeningetje meer bij. Voegen we er tot slot nog aan toe dat de man ooit enkele artikeltjes pleegde bij DeWereldMorgen.be, en het is duidelijk dat het met zijn achtergrond compleet snor zit om het in onze «kwaliteitsmedia» even te maken als de held van de dag, en dat zonder al te veel lastige vragen.
In hemdsmouwen aan de keukentafel
Het sfeertje dat opgehangen wordt rond deze coöperatieve bank is trouwens navenant. Het is allemaal toch zo eenvoudig, ongecompliceerd en laagdrempelig, met een stevige portie basisdemocratie. Je ziet de bedenkers van het initiatief daar al zitten: geëngageerde jongens in hun hemdsmouwen aan de keukentafel, om dan met de blote vuist een nieuwe bank uit de grond stampen. Zo een beetje zoals op de klassieke foto bij vrijwel elk interview met PVDA-goeroe Peter Mertens. (Ik heb me al afgevraagd of die keuken met een goedkoperig geruit tafelkleed echt zijn eigen keuken is, of een speciaal voor die gelegenheden ingericht lokaaltje op het partijhoofdkwartier. En zouden ze daar dan ook een hele voorraad koekjes van de witte producten hebben liggen die dan in hun plastic bakje opgediend kunnen worden om alles het juiste proletarische cachet te geven?)
Wat voor een onmens moet je trouwens niet zijn om geen 20 euro te willen afstaan voor een ethische en duurzame bank die vooral lief voor de mensen wil zijn, en zich zeker en vast niet zal bezondigen aan stoute grotemensenspeculatie? Nu ja, eigenlijk staat het staat nog niet vast of er ooit wel een bank van zal komen, want «dat moeten de coöperanten zelf maar beslissen» in een algemene vergadering. Alsof men zal toelaten dat die dan beslissen dat het allemaal maar om te lachen was, en dat iedereen zijn geld terugkrijgt.
Duurzaam bankieren
Het is echter maar de vraag of die bank wel een lang leven beschoren zal zijn. Zoals dat dan hoort heeft de nieuwe twaalf hoogdravende waarden. Eén van die twaalf is veiligheid: «de bank zal enkel investeren in financiële middelen van de reële economie; winst is geen doel op zich». Dat laatste wordt zelfs nog een keertje herhaald onder de waarde eerlijkheid: «winst is geen doel op zich, maar het gevolg van goed management». Verlieslatende projecten zijn dus geen probleem, als het allemaal maar proper en eerlijk gebeurt, en goed beheerd wordt. Gelukkig is er nog de onvermijdelijke duurzaamheid: «de bank zal enkel investeren in sociaal verantwoorde projecten». Lees: misschien zijn er wel enkele mogelijkheden in sectoren die via één-tweetjes met groenen of socialisten in de regering platgesubsidieerd worden, zoals windmolenparken.
De nieuwe bank wil trouwens ook transparant zijn, d.w.z. «eerlijk en volledig informeren», en die transparantie ook laten controleren. Alleen, bij die eerlijkheid en volledigheid kunnen nu al vragen gesteld worden. Er zit immers een serieuze adder onder het gras. Eén van de waarden van New B is inclusie («de bank zal een universele financiële dienstverlening aanbieden en toegang tot aangepast krediet voor iedereen»), een andere diversiteit («producten en diensten aanbieden die beantwoorden aan de behoeften van al haar klanten»), en nog een andere innovatie («de bank ontwikkelt samen met haar coöperanten nieuwe producten en creatieve oplossingen»). De lezer mag eventjes nadenken welke richting die creativiteit uiteindelijk zal uitgaan. En voor wie niet helemaal mee is: één van de ondersteunende NGO‘s is de Association belge des professionnels musulmans. Ik hoop maar dat al die 26 000 coöperanten hiervan op de hoogte zijn.
Hand- en spandiensten
Over ondersteunende NGO‘s gesproken, TAK, VVB, KVHV en NSV schijnen voorlopig nog te ontbreken. Zijn wel al present: onder meer 11.11.11, ABVV, ABVV-Metaal, ACV Brussel-Halle-Vilvoorde (tiens, hebben die al niet een bank?), Bond Beter Leefmilieu, Greenpeace, Oxfam, Vredeseilanden, en nog een reeks goepen en groupuscules van hetzelfde slag. 75 zijn het er in totaal, al staan ze niet allemaal opgelijst en vraag ik me af in hoeverre ABVV verschilt van FGTB, of ACV Brussel-Halle-Vilvoorde van CSC Bruxelles-Hal-Vilvorde. Ik kan me trouwens voorstellen dat de gemiddelde lezer van dit blad van minstens een dozijn onder hen lid is.
Knoop je alles bij mekaar, dan verbaast het allang niet meer dat New B zoveel aandacht, om niet te zeggen uitgesproken steun kreeg in de vele media. Het sfeertje zit juist, de initiatiefnemers hebben de juiste achtergronden, en de juiste NGO‘s ondersteunen de nieuwe bank. Ik ben er dan ook nogal gerust in dat we op tijd te weten zullen komen waar en wanneer die algemene vergadering plaats zal vinden, wat de agenda zal zijn, en hoe het enthousiasme er uit de zaal zal stróóómen. Iets zegt me dat als iemand het in zijn hoofd zou halen een V-bank op te richten, het er allemaal net iets anders aantoe zou gaan…
V-bank
Maar is dat een reden om het niet eens te proberen? Waar blijft de Vlaamse Beweging om de koppen eens bij mekaar te steken, en een nieuwe Vlaamse bank op te richten? Ik heb namelijk ook wel een paar waarden klaar voor een nieuwe Vlaamse bank. Transparantie bijvoorbeeld, waarbij beslissingen genomen worden in het belang van de bank en haar klanten, en niet in één of ander Brussels salon tot meerdere eer en glorie van vorst en «vaderland». Als het al niet een hoofdkwartier in Parijs is. Een bank die niet investeert in hopeloos ouderwetse industrieën of allerlei progressieve hobby’s, maar lokale bedrijven in toekomstgerichte sectoren ondersteunt. Een bank ook die niet bang is van een Vlaams imago, en het Vlaamse cultuurleven wil sponsoren. Als zieltogend links, in Vlaanderen nog niet goed voor een kwart van de kiezers, in een mum van tijd 26 000 coöperanten weet te verzamelen, waarom zou hetzelfde dan niet kunnen voor een Vlaamse bank? Ik heb mijn 20 euro al klaar.
Filip van Laenen
Enkele dagen geleden stelde eurocommissaris Olli Rehn in een interview met de Finse openbare omroep Yle voor dat ook grote spaarders voortaan een deel van hun geld zouden verliezen wanneer een bank in de problemen raakt. Met andere woorden: het «unieke» Cyprus zal voortaan als voorbeeld dienen voor andere probleembanken en -landen. Hoewel het voorstel niet meer dan de logica zelve is en bovendien een noodzakelijke voorwaarde om tot een gezonde banksector te komen, werd het onmiddellijk afgekraakt door sp.a-voorzitter Bruno Tobback en «econoom» Paul de Grauwe.
Wat heeft eurocommissaris Olli Rehn precies voorgesteld? Wanneer een bank in de problemen raakt, zouden voortaan, zoals bij elke andere onderneming, eerst de aandeelhouders aangesproken worden, en vervolgens al degenen die onbeschermde beleggingen en spaartegoeden bij de banken hebben uitstaan. Dat betekent dus dat als een bank over kop gaat, in de eerste plaats de aandeelhouders riskeren hun geld te verliezen, en als zij het verlies niet helemaal kunnen dekken, vervolgens ook de spaarders. Hij stelt wel uitdrukkelijk dat de staatsgarantie van 100.000 euro zou blijven gelden, en inderdaad, zijn voorstel is eigenlijk niet meer dan een gevolg van die staatsgarantie. Immers, als de staatsgarantie geldt tot 100.000 euro, dan moet daar ook uit volgen dat die staatsgarantie voor bedragen boven de 100.000 euro niet geldt, of toch niet volledig.
Zowel sp.a-voorzitter Bruno Tobback als «econoom» Paul de Grauwe waren er als de kippen bij om dit voorstel af te kraken, en bestempelden het als gevaarlijk en dom. Het zal de lezer waarschijnlijk niet verbazen dat ik eerder de reactie en het gedrag van Bruno Tobback en Paul de Grauwe als gevaarlijk en dom zou willen omschrijven. Want de consequentie van hun pleidooi, namelijk dat de spaarders nooit aangesproken zouden mogen worden, is niets anders dan dat de staatsgarantie tot in het oneindige door zou moeten lopen. Een staat heeft daardoor geen enkele bescherming meer tegenover spaarders, waardoor het failliet van een bank veel sneller zal leiden tot het failliet van een staat. Bovendien zorgt zulke oneindige staatsgarantie voor een moral hazard, want het moedigt spaarders ertoe aan hun geld bij roekeloze banken te plaatsen.
Een voorbeeld van dit effect zou nochtans nog redelijk vers het geheugen van Bruno Tobback en Paul de Grauwe moeten liggen. Of zouden zij werkelijk al vergeten zijn hoe IJslandse banken niet zo heel lang geleden de markten binnendrongen met lage tarieven en hoge renten, om vervolgens bij de eerste de beste tegenslag volledig over kop te gaan? Degenen die eerst tegenover hun buren en in hun familie snoefden hoe slim ze toch niet waren om hun geld bij zo’n goedkope IJslandse bank te plaatsen, waren meteen ook de eersten die hard riepen hoe vreselijk het wel niet was dat hun geld plots geblokkeerd stond. Tja. Dat er niet zoiets bestaat als een gratis lunch, en dat een hoger rendement gewoonlijk ook een hoger risico inhoudt was een les die ze toen pas geleerd hebben. Wanneer ik echter Bruno Tobback op de radio hoor verklaren dat het toch niet de taak van de spaarder kan zijn om na te gaan of zijn bank wel solide genoeg is, is mijn conclusie dat hij die les blijkbaar nog steeds niet geleerd heeft.
Het effect van zo’n oneindige staatsgarantie is immers dat spaarders bij zulke roekeloze banken eerst een lager tarief betalen, vervolgens systematisch hogere renten opstrijken, en dan wanneer het fout gaat de rekening doorschuiven naar de voorzichtige spaarder/belastingbetaler die zo idioot was zijn geld bij een «dure» bank te plaatsen. Of hoe Bruno Tobback en Paul de Grauwe de voorzichtige spaarder/belastingbetaler twee keer willen laten betalen. Wie genoeg verdient om belastingen te betalen maar niet genoeg om elke maand wat geld opzij te zetten is trouwens helemaal de klos.
Meer zelfs, als sp.a-coryfee Johan vande Lanotte zich de laatste tijd op één vlak geprofileerd heeft, dan wel dat van de shoppende verbruiker. Onder meer met een spaarsimulator, die de spaarders precies van conservatieve naar roekeloze banken drijft. Of moeten we nu echt denken dat die spaarsimulator in september 2008 de verbruiker voor de problemen bij Icesave zou gewaarschuwd hebben, dan wel hem er precies in groten getale heen zou gestuurd hebben? (A propos, geen enkele kwaliteitsjournalist die ook maar één kritische vraag plaatste bij die spaarsimulator van de leerling-tovenaar uit Oostende, maar misschien hadden die het al moeilijk genoeg met het procentrekenen dat al snel om de hoek komt kijken als we het over spaartegoeden en renten hebben…)
Er is nochtans één puntje waarop Bruno Tobback wel een klein beetje gelijk heeft, namelijk dat 100.000 euro niet bepaald een fenomenaal groot bedrag is. En je bank zal maar net failliet gaan de dag voor je een huis koopt. Het zou dan ook best kunnen dat de staatsgarantie iets hoger mag, al stellen we dan ook weer vragen bij het bedrag van 500.000 euro dat hij op de radio vermeldde – en dan nog als een bedrag dat toch ook nog zeker gedekt diende te worden door de staat. Blijkbaar verdient het niet slecht om voorzitter van de sp.a te mogen spelen. Bovendien stel ik me de vraag wie vandaag de dag nog 100.000 euro op zijn spaarrekening heeft staan, zonder enige andere vorm van belegging. Mag ik er enig darwinisme in zien als iemand op die manier bijna zijn hele fortuin verliest?
Overigens stel ik mij bij het gedrag van Bruno Tobback verder weinig vragen. De man is socialist, en wat mij betreft volstaat dat al ruimschoots als brevet van onkunde in de economie. Bovendien is een discours waarbij de staat maar garant moet staan voor al het spaargeld lekker gemakkelijk (populistisch?), ook al gaat het regelrecht in tegen de belangen van de kleine spaarder die moet gaan werken voor zijn kostje, en dus ook belastingen moet betalen. Dat segment van de bevolking dus waar men ooit de kernkiezers van de SP aantrof, vóór het vervangen werd door de combinatie loftsocialisten en allochtonen.
Wat me wel verbaast is de reactie van Paul de Grauwe, die toch beter zou moeten weten. Hij wordt nog steeds omschreven als «econoom», maar het is maar de vraag hoe lang dat nog ethisch verantwoord kan worden. De man heeft niet alleen een cursus basiseconomie gekregen, hij heeft ze zelfs zélf gehouden. (Onder meer aan ondergetekende, die overigens niet bepaald zwaar onder de indruk was van de manier waarop hij aan studenten burgerlijk ingenieurs het begrip «afgeleide» trachtte bij te brengen, en dat nota bene vlak na een uurtje differentiaalvergelijkingen.) Heeft de man last van vroegtijdige dementie, en wordt het stilaan tijd dat enkele heren in witte jassen zijn bovenkamer eens grondig komen nakijken? Of is hij gewoonweg onlangs opgekocht door de PS, zoals men ook zou kunnen vermoeden wanneer men zijn waarschuwingen tegen besparingen leest? Het begint in ieder geval erg op te vallen dat over zo ongeveer elk economisch vraagstuk zijn betoog naadloos gelijkloopt met de agenda van de sp.a en de PS. Het meest problematisch daarbij is vooral dat sp.a en PS vervolgens Paul de Grauwe gebruiken als gezagsargument, want zelfs «liberale economen» geven hen zogezegd gelijk. En op enige nuance daarover hoeft men dan uiteraard niet te rekenen in onze kwaliteitsmedia.
Wanneer is de N-VA incontournable?
Filip van Laenen
In zijn ondertussen al beruchte interview met De Standaard liet N-VA-kopstuk Geert Bourgeois zich verleden week ontvallen dat als de N-VA in 2014 veertig procent haalt, de partij de Franstaligen haar wil zal kunnen opleggen. Strategisch was het natuurlijk een blunder van formaat om de lat meer dan een jaar op voorhand al op zo’n hoog niveau te leggen. Maar los daarvan is het natuurlijk wel een interessante vraag hoe groot de N-VA moet zijn om incontournable te worden.
Is de N-VA met veertig procent van de stemmen incontournable? Carl Devos, naar het schijnt nochtans politicoloog, vond van niet, want volgens hem moet je daarvoor minstens vijftig procent van de stemmen halen. In zijn haast om Geert Bourgeois neer te sabelen vergat hij wellicht dat als het Vlaams Belang de andere tien procent levert, veertig procent voor de N-VA al ruimschoots volstaat om wel degelijk de Vlaamse lakens te kunnen uitdelen. Maar daar komt nog bij dat het enige wat eigenlijk echt telt om ergens je politieke wil te kunnen opleggen een meerderheid in het parlement is. En om vijftig procent van de zetels te halen heb je gewoonlijk nog geen vijftig procent van de stemmen nodig. Er kunnen dus gemakkelijk nog een paar procenten af, dankzij partijtjes zoals de PVDA en LDD die al snel enkele procenten onder de kiesdrempel weten vast te houden.
We kunnen het zelfs nog een beetje verder doordrijven. Neem nu de peiling van Het Laatste Nieuws van verleden week, waarin N-VA «slechts» 33,8% haalde, en Vlaams Belang 11,3%. Een simulatie geeft N-VA dan 45 zetels in het Vlaams Parlement, en Vlaams Belang 14 zetels. Dat maakt samen 59 zetels op de 124, weliswaar vier te kort voor een absolute meerderheid, maar CD&V, sp.a, Open Vld en Groen komen in die simulatie samen ook maar aan 64 zetels. En amper twee zetels overschot voor zo’n bonte regering is niet bepaald comfortabel. Zelfs als de traditionele partijen de Franstalige(n) van UF mee in de Vlaamse Regering zouden opnemen –Christian van Eyken als Vlaams Minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur en Vlaamse Rand, iemand?– wens ik hen veel geluk toe om de legislatuur van vijf jaar vol te maken zonder al te veel brokken. Eén personeelsprobleem dat uitdraait op een onafhankelijk parlementslid in het Vlaams Parlement volstaat dan om de poppen aan het dansen te krijgen.
Incontournable en incontournable
Overigens is deze hele discussie over het aantal procenten dat de N-VA dient te halen om haar wil aan de Franstaligen te kunnen opdringen bijzonder surrealistisch. De PS haalde immers bij de federale verkiezingen van 2010 niet meer dan 36,8% van de stemmen in het kleinere landsdeel van België, en kan vandaag toch over heel België almachtig de plak zwaaien via de federale regering. Waarom zou dan een partij die in 2014 veertig procent van de stemmen haalt in het grotere landsdeel van België dan haar wil niet kunnen opleggen aan de Franstaligen? Of dat zelfs niet mogen proberen te doen?
Recept voor een overwinningsnederlaag
Maar over peilingen gesproken: Geert Bourgeois had al meteen het ongeluk dat zijn interview gepubliceerd werd op precies dezelfde dag als een peiling in Het Laatste Nieuws. En met 33,8% bleef de N-VA natuurlijk ver onder de veertig procent steken, ook al betekent het nog steeds een forse vooruitgang van een dikke vijf procent vergeleken met de laatste federale verkiezingen van 2010. En dit weekend was het alweer prijs, deze keer met een peiling van Le Soir waarin de partij «slechts» 33,6% haalde. Je kan je trouwens afvragen waar Geert Bourgeois het cijfer van veertig procent vandaan haalde, want tot nu toe bedraagt de absolute maximumscore van zijn partij in de peilingen zeggen en schrijven… 40,1% (La Libre Belgique in septeber 2012). Zelfs voor iemand die nog in opiniepeilingen gelooft –en wie doet dat nog?– en er dan nog een dikke schep optimisme bovenop doet klinkt veertig procent nog steeds bijzonder overmoedig.
Laat ons daarom hopen dat Geert Bourgeois verleden week door Bart de Wever eens goed de levieten gelezen werd, en dan niet omwille van zijn standpunt over Vlaamse onafhankelijkheid. Een overwinning verandert immers snel in een overwinningsnederlaag als de lat op voorhand te hoog gelegd wordt. En daarbij is het natuurlijk één ding als «de peilingen», de media en je tegenstanders je lat zo hoog duwen dat je er onmogelijk nog over kan. Maar als je eigen kopstukken in interviews hun hoofd verliezen en de lat op astronomische hoogte leggen, dan moet je op de verkiezingsavond geen calimeroschelp meer op je hoofd trachten te plaatsen.
Pijlen eindelijk op de juiste vijand gericht?
Maar het is niet allemaal kommer en kwel in het V-kamp. De laatste weken lijkt het er immers op dat de N-VA met haar aanval op het ACW (en dus ook de CD&V) eindelijk de juiste vijand gevonden heeft. Het is trouwens ook al weer een tijdje geleden dat Bart de Wever in een interview nog eens erkenning opeiste voor de manier waarop hij het Vlaams Belang heeft teruggedrongen. Zou het kunnen dat men bij de N-VA eindelijk begrepen heeft dat het voor haar veel belangrijker is kiezers weg te halen bij CD&V en Open Vld dan Vlaams Belang? Dat is immers de enige manier om in Vlaanderen echt incontournable te worden, want een uitwisseling van kiezers tussen N-VA en Vlaams Belang zet wat dat betreft echt geen zoden aan de dijk.
Meer zelfs, als de N-VA het Vlaams Belang zozeer uitzuigt dat voor die laatste partij de kiesdrempel in zicht begint te komen, dan kan ze een V-meerderheid in het Vlaams Parlement meteen vergeten. Een overdonderende veertig procent zal daar dan niet veel aan helpen. Zolang de traditionele partijen, al dan niet aangevuld met de nuttige idioten van Groen, in het Vlaams Parlement aan een voldoende comfortabele meerderheid geraken kan je er immers gif op innemen dat zowel Di Rupo II als Peeters III in een mum van tijd op de rails gezet zullen worden. Het is dan maar de vraag wat er in 2019 nog over zal schieten van die N-VA.
De gele terugval en de groene luchtbel
Filip van Laenen
Verleden weekend publiceerde de krant Le Soir de resultaten van haar driemaandelijkse «Grand baromètre». Daarbij werd vooral ingezoomd op het verlies van de N-VA, ook al blijft de partij nog steeds twee keer groter dan haar eerste achtervolger, de CD&V. Maar misschien nog het meest verrassend was dat de resultaten van deze peiling quasi identiek waren aan die van Het Laatste Nieuws een week eerder.
Vergelijken we inderdaad de resultaten van de peiling van Le Soir even met die van Het Laatste Nieuws. Het valt dan op dat de verschillen minder dan één procent bedragen, behalve voor de CD&V. En zelfs voor de CD&V bedraagt het verschil amper 1,6%, nog steeds een pak minder dan de foutenmarge voor de respectievelijke peilingen. De manier waarop onder meer VTM de resultaten van deze peiling aankondigde als «verrassend» is dan ook… behoorlijk verrassend, tenzij de nieuwsredactie van de televisiezender geen kranten leest en dus absoluut geen weet had van die peiling van Het Laatste Nieuws. Het is in ieder geval symptomatisch voor de manier waarop de Vlaamse media omgaan met peilingen. In dat verband onderschrijven we trouwens graag de commentaar en kritiek die Frank Thevissen bij Doorbraak publiceerde. Ook de populariteitspoll, waaruit moest blijken dat Maggie de Block de nieuwe rijzende ster aan het Vlaamse politieke firmament is moet er bij hem aan geloven. Om eerlijk te zijn heb ik nooit veel aandacht besteed aan populariteitspolls omdat ze meestal zo goed als onbegrijpelijk qua vraagstelling zijn, onduidbaar qua resultaat en totaal onvergelijkbaar van de ene tot de andere peiler.
Er is echter één puntje in de kritiek van Frank Thevissen waar we toch een beetje dieper op zouden willen ingaan. De titel van zijn commentaar «Wie trapt er in “de (terug)val” van de N-VA?» schijnt te suggereren dat hij niet bepaald gelooft in een terugval voor de N-VA, zoals uitvoerig en bijzonder gretig bericht door de Vlaamse media. Vermoedelijk zet hij daarmee menig lezer op het verkeerde been, en dan misschien nog het meest van al hoopvolle aanhangers van de N-VA die de steile opgang van de partij in de peilingen wel willen geloven, zij het dan toch met een bang hartje. Uit zijn betoog in het artikel leidt ik af dat hij waarschijnlijk noch in het ene noch in het andere gelooft. Zo gaat dat nu eenmaal als je iets te veel de achterkant van de opiniepeilingen hebt gezien, en daardoor ook weet hoe ze gemaakt worden. Er zit inderdaad nogal vaak een stevige portie paardenvlees in de peilingslasagne die de media ons voorschotelen.
Dat neemt echter niet weg dat we ook in de reële wereld moeten staan, en dan blijkt dat er deze keer voor de N-VA wel degelijk een fameuze knik in de curve van het vlottende gemiddelde zit. Of dat ook betekent dat de werkelijke aanhang voor de partij in een dalende lijn zit laten we in het midden, en is trouwens niet controleerbaar. In de media zal echter het beeld dat de partij in de peilingen stagneert of zelfs over haar toppunt heen is de komende maanden domineren. Dat is niet eens fout, maar anderzijds staat de partij met meer dan een derde van de kiesintenties nog steeds op plus vergeleken met de laatste verkiezingen, en blijft ze bovendien dubbel zo groot als haar eerste achtervolger.
Als de N-VA al achteruit zou gaan, dan is het onduidelijk welke concurrent daarvan zou profiteren. Zowel CD&V als sp.a peilen al bijna twee jaar rond hun huidige niveau. Bij de Open Vld zijn de schommelingen iets groter, en die partij lijkt aan een licht herstel begonnen te zijn. Bij Vlaams Belang was men al zeer tevreden over de vooruitgang met twee procent tegenover de vorige peiling, maar belangrijkst voor hen was misschien dat ze opnieuw boven de psychologische grens van de tien procent uitkwamen.
Ook bij Groen was men zeer tevreden over het resultaat in deze peiling. Daar vond men immers van zichzelf dat men de enige partij was die erop vooruitging zowel tegenover de vorige peiling als tegenover de laatste verkiezingen. Alleen, die vooruitgang was in beide gevallen zo klein dat ze niet alleen binnen de statistische foutenmarge valt, maar ook binnen de technische. Wie een duizendtal mensen ondervraagt moet er nu eenmaal rekening mee houden dat er hier en daar al eens een antwoord verkeerd geregistreerd wordt, en dan is een foutje van 0,2% al snel gemaakt. Maar ook: vergeleken met de laatste provincieraadsverkiezingen gaat de partij er zelfs op achteruit. Ook hier weer slechts in minieme mate, maar -0,4% blijft een achteruitgang, en geen vooruitgang.
Men kan zich trouwens afvragen in wat voor groene luchtbel de partij zich tegenwoordig bevindt. In een interview met De Standaard droomt haar partijvoorzitter Wouter van Besien al van regeringsdeelname in 2014, maar wil zich tegelijkertijd niet laten vastpinnen op een verkiezingsresultaat van –hou je vast, we hebben het over een regeringspartij in spe!– tien –10– procent! Even de puntjes op de i zetten: Groen peilt al jaren ergens tussen de zeven en de acht procent, haalt al jarenlang verkiezingsresultaten van dezelfde grootteorde, en is tot nader order de zesde partij in Vlaanderen. De fameuze «boost» waarvan sprake in het interview bracht de partij trouwens van 7,1% in 2010 naar 8,1% in 2012. Ik zou dat niet meteen een reuzensprong voorwaarts durven noemen, laat staan «boost», maar misschien betekent dat woord in Groot-Bijgaarden en Borgerhout gewoon iets anders dan in de rest van het Nederlandse taalgebied. Alleen als het Vlaams Belang in 2014 een bar slecht resultaat zou halen kan Groen hopen de vijfde plaats in het Vlaamse partijpolitieke landschap te bezetten – als ROSSEM dan maar geen roet in het eten komt gooien. En dan dromen van regeringsdeelname!
Heeft Wouter van Besien het echter hoog op met zichzelf, helemaal gek is hij nu ook weer niet, want tien procent voor zijn links-ecologische partij in tijden van economische crisis en globale opwarming zal inderdaad een maatje te hoog gegrepen zijn voor Groen. Maar wat misschien nog het meest verrassend –en stuitend– is, is dat regeringsdeelname in 2014 voor dit mini-partijtje dan nog niet eens onrealistisch is. Dat zal echter, in tegenstelling tot wat Wouter van Besien probeert te laten uitschijnen en misschien zelfs zelf denkt ook, niet de verdienste van Groen of haar voorzitter zijn. Want inderdaad, als Groen in 2014 in een regering zal kunnen stappen, dan zal dat zo zijn omdat N-VA en Vlaams Belang samen zo groot zullen geworden zijn dat Groen onmisbaar wordt voor een anti-V-coalitie, maar tegelijkertijd niet groot genoeg zullen zijn om zo’n monsterverbond tegen te houden.
En daarmee zijn we meteen ook aanbeland bij de simulatie voor de zetelverdeling in het Vlaams Parlement. Opnieuw blijkt dat een V-meerderheid niet mogelijk is, maar ook een B-meerderheid van CD&V, sp.a, Open Vld en Groen wordt zeer krap. Het valt dus nog af te wachten of Stefaan van Hecke in 2014 werkelijk minister zal kunnen worden. Maar als dat werkelijk zijn ambitie zou zijn, en die van Groen, dan zal het waarschijnlijk toch in de Vlaamse regering moeten zijn. De kans is immers groot dat Groen niet groot genoeg zal zijn om in de federale regering aanspraak te kunnen maken op een ministerpost.
Werpen we tot slot nog snel een blik over de taalgrens. Daar gaat de PS er lichtjes op vooruit, terwijl de MR lichtjes achteruitgaat. Beiden gaan daarmee eigenlijk tegen hun trend van de laatste maanden in. CdH en Ecolo blijven dan weer stabiel, met cdH als grootste van de twee. Verderop blijven FDF en PTB ver onder de kiesdrempel, net als een hele reeks andere partijtjes zowel op uiterst rechts als uiterst links. Tenzij één van die mini-partijtjes in één of andere kieskring kan stunten, is het dus best mogelijk dat een federale afspiegelingsregering betekent dat een regering–Di Rupo II geen Franstalige oppositie zou hebben. Zoiets zou wel eens interessante gevolgen kunnen hebben voor de verkiezingen van 2019. En dat zowel aan de Vlaamse als de Franstalige kant…
Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 en Wallonië sedert 2006 (PDF).
Gerard Mortier heeft het nog altijd niet begrepen.
Johan Sanctorum
Vanavond houdt Gerard Mortier in de Antwerpse Bourlaschouwburg zijn Hugo Claus-lezing, op uitnodiging van uitgeverij De Bezige Bij, literaire evenementenorganisator Behoud de Begeerte, Toneelhuis en De Morgen. Veel schoon volk dus. Yves Desmet praat het circus aan elkaar. Als de weersomstandigheden het toelaten, loop ik eens langs. Alvast een voorbeschouwing.
Hogervernoemd lijstje van organisatoren en sponsors geeft uiteraard al een indicatie van de politieke hoek waaruit de wind waait:
dit is een festival van de links-weldenkende bobo’s die Vlaanderen van het fascisme willen redden, en van de weeromstuit onderdak zoeken in de kwakkele Belgische constructie en, godbetert, zelfs het koningshuis. Het bekende verhaal van de door de Belgicistische connectie gedomineerde Vlaamse kunstensector (of alleszins Vlaams als het op subsidies aankomt), we hebben het al duizend keer verteld.
Behoud de Begeerte doet natuurlijk ook een belletje rinkelen. Het waren deze jongens en meisjes die zo nodig de naam van het Antwerpse De Coninckplein – vernoemd naar Pieter de Coninck – wilden veranderen in het Herman de Coninckplein. Het beschamend imbroglio dat daarop volgde, met de eeuwig treurende weduwe Kristien Hemmerechts in de glansrol, zal de geschiedenis ingaan als de zoveelste Antwerpse flauwe grap.
Big spender
Maar goed, Gerard Mortier dus. Hij behoort met Jan Hoet tot de generatie Vlaamse kunstpausen: intendanten en curators die het gemaakt hebben op de internationale culturele scène, maar die als soixante-huitards ook vechten tegen hun eigen sclerose en impertinentie, in een tijd waarin cultuur als instituut steeds meer in vraag wordt gesteld. Het is de discussie die ik steeds weer heb met mijn goede vriend en tegenstrever Bart Caron, de Groene believer in overheidspatronage en door de politieke bovenbouw gecontroleerde kunstensector, met heel het administratieve zwaargewicht dat daar onvermijdelijk aanhangt.
Hoe “progressief” deze lui zich ook etaleren, het manna moet wel altijd van de staat komen, zelfredzaamheid is er niet bij. Terwijl nu net dat autonomisme volgens mij een nieuw soort “revolutionaire” kunst zou kunnen opleveren, die ook de politieke zekerheden op losse schroeven zet.
Zo’n gezworen institutionalist is dus ook Gerard Mortier. In een vorig leven was ik artistiek leider van de Vlaamse JeugdOpera, een muziektheatergezelschap voor jongeren. In die hoedanigheid liep ik hem wel eens tegen het lijf. Klikken deed het niet echt. Wij, van onze kant, waren outlaws, we werkten zonder subsidies en vroegen ze ook nooit aan, omdat we vonden dat zoiets onze onafhankelijkheid in de weg stond. Terwijl Mortier altijd de man van het grote geld is geweest, een big spender, iemand die alleen kon gedijen in een omgeving waar er echt met middelen kon gesmeten worden. Overal waar hij neerstrijkt ontstaan er grote putten, die door andere, mindere goden, dan weer moeten gedempt worden. In de Muntschouwburg weten ze er alles van.
Over de bankencrisis en de kwakkelende EU zal men Mortier dan ook zelden of nooit iets horen vertellen: voor hem is er gewoon geen crisis. Het is misschien ook niet toevallig dat Gerard Mortier vandaag directeur is van het Teatro Real Madrid, de Koninklijke Spaanse Opera van een staat die zo goed als bankroet is, maar die desalniettemin vrolijk op olifantenjacht gaat en business as usual bedrijft.
Terwijl het Madrileense staats- en cultuurcentralisme eigenlijk al zijn glans heeft verloren, en de Catalaanse regio luidop droomt van onafhankelijkheid. In de opera van Barcelona worden trouwens meer artistieke potten gebroken dan in Madrid (in tegenstelling tot Vlaanderen zijn de Catalaanse kunstenaars wél republikeins en autonomistisch). Maar Mortier heeft dus gekozen voor de erfgenamen van Groot-Inquisiteur Filips II, het oude pluche en de stierengevechten. Dos cervezas por favor.
Boboisme
In politiek-intelellectueel opzicht ontstaat er daardoor een enorm spagaat: men heeft de indruk dat het progressistische, k
osmopolitische discours van deze eminente lui een soort verlegenheid moet toedekken, een schaamte omwille van de institutionele verankering waarvoor men heeft gekozen, en die uiteraard allesbehalve “progressief” kan genoemd worden. Het gaat dus om schaamlappen en alibi’s.
In De Standaard van vrijdag 22 maart gaf Mortier in een kort interview, bij wijze van prelude op zijn Claus-lezing, alweer een inkijk in dat vreemde, dubbelzinnige, inconsequente boboisme. Enerzijds wordt er natuurlijk uit het vaste vaatje getapt van het “enggeestig nationalisme” versus het verlichte internationalisme, waarin hijzelf uiteraard schittert. Daarbij wordt aangehaald hoe de Vlamingen altijd weer uitzwermden om het in de vreemde te maken: Vlaanderen zendt zijn zonen uit, het motto van de missiepaters. Op cultureel vlak worden de Vlaamse polyfonisten uit de XVde eeuw (in Frankrijk spreekt men van L’école franco-flamande!) steeds weer als voorbeeld aangehaald. Maar musicoloog Johan Uytterschaut haalt dat argument in een stevige lezersbrief onderuit en demystifieert:
“Ze waren opgekocht door headhunters in dienst van Europese hoven die goed in de slappe was zaten. Bovendien was die braindrain zo massaal, dat niemand van betekenis hier achterbleef om op de winkel te letten en een nieuwe generatie componisten op te leiden.”
Door een gebrek aan gezond chauvinisme liep Vlaanderen dus leeg. Er werd door die kosmopolieten zoveel gereisd en goede sier gemaakt aan de Europese hoven, dat wij nooit tot een cultuurnatie konden doorgroeien. Waardoor de kneuterigheid en het elk-zijn-vierkante-meter-syndroom bleef domineren. Alle gelijkenis met de huidige situatie is toevallig.
De nieuwe breuklijnen en de tekens van revolte gaan uit van een nieuwe behoefte aan herkenbaarheid en identiteit, niet vanuit een belegen conservatisme, maar juist tegen het establishment en de oude regimes.
Ook vandaag zitten we opgescheept met het halfslachtig boboisme van een cultureel establishment dat voortdurend naar “het buitenland”, Europa en de wereld lonkt, omdat de elementaire fierheid ontbreekt tot politiek veranderingsdenken op eigen bodem. Een laag zelfbeeld zit er achter de ronkende breeddenkendheid die Mortier, Hoet en alle anderen etaleren. Ook Hugo Claus, zonder twijfel een literair monument én zoon van een “zwarte”, ontsnapte niet aan die latente drang tot nestbevuiling.
Een staaltje van kromdenken ontwaart men ook, waar Mortier met zoveel woorden zegt dat hij eerst De Wever steunde, als een dam tegen het Vlaams Belang (‘Ik zag in hem iemand die het Vlaams Belang kon counteren.’). Maar nu De Wever zelf een bepalende factor is geworden, wordt ook diens variant van het Vlaams-nationalisme als kwaadaardig beschouwd. Weer een voorteken dat er een nieuw cordon in de maak is, hoe hard de N-VA-voorzitter ook zijn best doet om het verdomhoekje te mijden…
Cultuur, grondstroom, verzet

Marseillezen keren het EU-cultuurcircus de rug toe, en begeven zich aan een huisgemaakte bouillabaisse.
Intriges, schijnbewegingen en alibi’s. Er heerst een fundamenteel gebrek aan parler-vrai in dit bobo-milieu. Dit manco, én de weigering om aan een artistieke vooruitstrevendheid ook een politiek-revolutionair denken te verbinden (in de Vlaamse context is dat zonder meer de autonomistische beweging, los van het oude België in het kwakkelende Europa), maakt dat al die bevlogen cosmopolitische kunstenaars op het einde ook de artistieke boot missen: het discours van Gerard Mortier is versleten, achterhaald, het ruikt naar de mottenballen en naar het naïeve vooruitgangsoptimisme van de voorbije eeuw waarin de bomen tot aan de hemel groeiden.
De nieuwe breuklijnen en de tekens van revolte manifesteren zich ergens anders. Ze gaan uit van een nieuwe behoefte aan herkenbaarheid en identiteit, niet vanuit een belegen conservatisme, maar juist tegen het establishment en de regimes die vandaag vluchten in Eurofiele waandenkbeelden. Heel de EU-bubbel is gedoemd om open te spatten, financieel, economisch, politiek, én als cultureel evenementenbureau. Dàt heeft Mortier, met al zijn intelligentie, nog altijd niet begrepen.
In dat opzicht kan ik misschien verwijzen naar de verzetsbeweging in Marseille, dit jaar tot “Culturele hoofdstad van Europa” gebombardeerd. De bewoners van deze door criminaliteit geteisterde grootstad vinden het getuigen van cynisme om te denken dat internationalistische prestigecultuur hun problemen zou kunnen oplossen. Integendeel: de bobo’s helpen mee aan de sociale afbraak, ze ontnemen de Marseillezen moreel het recht om naar hun eigen (rijke) identiteit van Provençaalse vrijstad op zoek te gaan.
Onder de veelzeggende naam “Front des réfractaires à l’intoxication par la culture” (kortweg FRIC) is er een tegenbeweging op gang gekomen, noem het maar een volksopstand, tegen de Euro-verlakkerij, de mega-masterplannen, en de doortocht van de lachende kunstpausen:
“Les Marseillais sont censés participer aux réjouissances, se laisser bercer de bons sentiments, s’enthousiasmer pour une culture hors-sol parachutée depuis les sommets de la bureaucratie européenne et applaudir à l’éviction des cultures populaires intimement liées à ce territoire. Pour notre part, bien conscients que cette opération va se mener contre nous, nous ne serons pas les gogos de leur pseudo-événement. S’ils veulent la guerre, ils l’auront !”
Dat is taal met de kracht van een bom, Gerard Mortier zal dit zonder twijfel als “populisme” proberen dood te slaan. Toch is het dit soort bewegingen dat de culturele toekomst van Europa en van deze planeet zal uitmaken: een anti-globalistisch élan, een tendens tot schaalverkleining, gekoppeld aan een zoektocht naar wortels, het particuliere, het bijzondere en unieke, en gericht tegen de grote gelijkmaking. Dat alles gecombineerd met een imperatief van meer sociale rechtvaardigheid en echte politieke democratie.
In Vlaanderen bestaat de grote uitdaging er nu voor de culturele sector in, om de klik te maken, weg van het subsidieconsumentisme, weg van het Belgicistische en Euro-cosmopoliete ontkenningsgedrag, én in de richting van een republikeinse revolte. Jawel, met de steun van en gedragen door de zogenaamde grondstroom. Noemen we het maar de Tijl Uilenspiegelfactor, het (her)ontdekken van onze rebelse volksaard, de Geuzenmentaliteit, tegen het katholieke onderhorigheidsdenken.
Daar hebben we meteen ook weer een raakpunt met de Groot-Nederlandse gedachte. Om te beletten dat de polyfonisten blijven uitzwermen en het klootjesvolk achterblijft, hebben we een gemeenschappelijke ruimte nodig met voldoende zwaartekracht. Zogenaamd rechts heeft hier sterkere kaarten en betere argumenten dan links, zeker in Vlaanderen, of Mortier dat nu graag hoort of niet.
De natie is geen doel op zich, mag het nooit worden. Ze is, op haar best, een vat waarin een collectieve identiteit als organische chemie kan gedijen. Zonder dat, blijven we een verzameling brokstukken, een planetoide zonder bindingskracht.
Dat is mijn antwoord, a priori, aan de zonder twijfel zeer onderhoudende Claus-lezing van Gerard Mortier.