Skip to content

Wordt 11 juli vervangen door 21 juli?

22 juli 2015

21juliDe N-VA neutraliseerde de Vlaamse Beweging en bestuurt België zonder de PS: doel bereikt, en het scheelt een feestdag.

In een simpelweg onthutsend dubbelinterview confronteerde De Standaard op 11 juli politicoloog Bart Maddens – tegenwoordig een van de meest consequente flamingante intellectuelen – met Peter De Roover, ooit VVB-voorman en chef politiek voor Doorbraak, maar nu federaal kamerlid voor de N-VA en de beheerder van hun partijkas. De journalist van dienst hoeft niet veel aanzetten te geven: de antithese tussen kritische rede en partijdogma is compleet.

België als troostprijs

Het interview is dan ook veelzeggender dan alle 11-juliredes samen. Niet dat het veel onthult wat we al niet wisten, namelijk dat de N-VA tot dé Belgische establishmentpartij is verveld. Maar vooral het cynisme waarmee dat als een vanzelfsprekendheid wordt geëtaleerd, is ongezien. Probeerden voorheen nog N-VA-coryfeeën als Jan Jambon retorische rondjes te maken over het einddoel (de Vlaamse republiek) en de middelen (België vanuit de sleutelposten ontmantelen), dan zegt De Roover, met de simpele duidelijkheid van de schoolmeester die hij is, waar het op staat: ‘Als we Vlaanderen niet krijgen, dan nemen we België’ – meteen de kop van het interview. Ik moest een paar keer de ogen uitwrijven, maar het staat er echt zo.

De verwijten van Bart Maddens dat de N-VA het grondwetartikel 195 uit het regeerakkoord hield, waardoor elke grote institutionele hervorming binnen deze termijn onmogelijk was (en vermoedelijk dé toegeving die de francofone MR over de brug trok), glijden over De Roover heen als water over een oliejekker. Het kamerlid vertelt met een brede grijns dat de Vlamingen toch geen onafhankelijkheid willen, en dat het beheer van de lopende zaken in de Belgische monarchie voor zijn partij prima is als troostprijs. Zolang het maar niet met de PS is. Tja, tot zover de idee van een partij als promotor van een politiek streefdoel, een maatschappijvisie, een ideaal.

Maddens: ‘Ik begrijp niet waar jullie op wachten. In heel de geschiedenis van de Vlaamse beweging is er nooit een organisatie geweest die zo veel macht had als de N-VA om de kiezer te overtuigen van de noodzaak aan confederalisme. Maar jullie doen er niks mee. Heel die #helfie-campagne, dat is nul komma nul communautair. Vanuit Vlaamsgezind oogpunt is dat 1,3 miljoen euro weggegooid geld.’

Maar De Roover gaat onverstoord door met te stellen dat een regering zonder de PS een staatshervorming op zich is, en noemt de kritiek van Maddens ‘theoretisch gezwets van de ivoren toren’. Dit dovemansgesprek toont op een pijnlijke manier hoe persoonlijke carrière-opportuniteiten (Peter De Roover was voorheen leraar en daarnaast hobby-flamingant) compleet samenvallen met cynische partijlogica. De primaire regel van die logica is dat je de democratische macht verovert met een doorsneeprogramma dat zoveel mogelijk kiezers aanspreekt. De tweede regel is, dat je vervolgens macht moet consolideren, vooral via het bezetten van de sleutelposten en het bedienen van een uitgebreid partijcliënteel, tot de buitenpolitieke oppositie, het zogenaamde middenveld, compleet is leeggezogen.

Op geen enkel moment geeft Peter De Roover blijk van enige gêne wat betreft de Belgische restauratiebeweging waarvan zijn partij, o ironie, de gangmaker is. Het is voor deze mensen kwestie van op de eerste rij te zitten, waar en op welke gelegenheid maakt blijkbaar niets uit. Passages uit het grensverleggend boek ‘Kritik der Zynischen Vernunft’ van Peter Sloterdijk komen ons voor de geest: het pad van de rationele Verlichting en de politieke kritiek is doodgelopen in individuele overlevingsstrategieën, die zich samenvoegen tot groteske sociale constructies rond machtsbehoud en status-quo.

Inteelt en consensusdenken

Op 9 juli j.l. ontving journalist Rik Van Cauwelaert de Orde van de Vlaamse Leeuw 2015. Dit ereteken, bestaande uit een zilveren plaket, wordt sinds 1971 uitgereikt aan personen ‘die zich verdienstelijk maakten in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, de integratie van de Nederlanden, en de bevordering van de Nederlandse taal en cultuur in het algemeen’. Dat klinkt mooi, misschien wel té welluidend, en het lijstje van laureaten toont dan ook vooral consensusfiguren uit de top van het Vlaamse socio-politieke establishment, zoals daar zijn: Remi Vermeiren, Herman Suykerbuyk, Frans-Jos Verdoodt, Eric Ponette, Luc Van den Brande, Jean-Pierre Rondas, Richard Celis, Axel Buyse, en nu dus in 2015 journalist Rik van Cauwelaert. Nelly Maes (2014) geldt als een buitenbeentje, en de enige niet-consensusfiguur want een behoorlijk links-activistische dame. Een ongelukje is gauw gebeurd.

Maar het probleem van deze prijs is deze van alle prijzen, van links tot rechts: het gaat om een maatschappelijke laag of een socio-culturele niche die zichzelf in de bloemetjes zet. Men geeft elkaar schouderklopjes en spreekt elkaars laudatio uit, dit jaar door laureaat van 2011 Jean-Pierre Rondas, onder de veelzeggende titel: ‘Rik van Cauwelaert: een leeuw, opgenomen in zijn eigen Orde’.

Dit goedmoedig geronk ruikt inderdaad onvermijdelijk naar inteelt, in dit geval van een overwegend centrumrechtse elite die zich identificeert met wat men doorgaans cultuurflamingantisme noemt, en die wortelt in een voorzichtig, allerminst revolutionair concept van volksverheffing. De burgers vormen niet de locomotief van een beweging, wel de treinwagons. In de stuurcabine staan diegenen die vooral het spoor willen houden zonder dat uitstekende dwarsliggers voor teveel gerammel zorgen. De Orde van de Vlaamse Leeuw dus, met de nadruk op orde.

Politiek is dat niet zonder betekenis. Voorzitter van de Orde is Matthias Storme, lid van het N-VA-partijbestuur, en zich profilerend als ‘conservatief denker’. Storme is een van de meest briljante vertegenwoordigers van het flamingante spagaat: men wil wel Vlaamse autonomie, maar niet met het bijbehorende republikeins-progressieve élan dat de structuren echt in vraag stelt, en dat bijvoorbeeld de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging wél kenmerkt.

De Vlaamse Leeuw van Storme en Co is dus wel degelijk romantisch-reactionair. Dat is de reden waarom politicoloog Bart Maddens de prijs niét kreeg. Nochtans, als er één Vlaamse intellectueel hem dit jaar verdiende, was het wel Maddens, alleen al omwille van de consequent-kritische houding tegen de verwatering van het republikeinse streefdoel, met de N-VA als grote promotor van dat proces.

Maar die erkenning van een criticus zou niet sporen met het comformisme en de consensusgedachte die zich in brede kringen van de Vlaamse Beweging heeft doorgezet, en die eigenlijk afscheid heeft genomen van het anti-Belgische republikeinse radicalisme. In die door Peter De Roover zo treffend neergezette verzaking komt onvermijdelijk, de echte aap uit de mouw, met name het economisch-rechtse, liberale paradigma dat de N-VA beheerst, en waarvoor een België-zonder-PS een even goede en misschien nog betere kweekruimte biedt dan een onafhankelijke Vlaamse republiek waarin, godbetert, linkse progressieven de toon zouden kunnen zetten.

In zijn dankrede rept Rik van Cauwelaert, zelf telg uit een vooraanstaande Vlaams-katholieke familie die zich voluit Van Cauwelaert de Wyels noemt, met geen woord over de ontmanteling van de Vlaamse Beweging en de Belgische restauratie, gepromoot door de partij die door prof. Bart Maddens nog altijd een ‘V-partij’ wordt genoemd. Een titel die nu wel mag opgeborgen worden.

‘België, een warm nest voor de N-VA’, constateerde Maddens’ collega Dave Sinardet in april van dit jaar nog meesmuilend. Op 21 juli zullen voor de eerste keer de federale N-VA-excellenties, vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon op kop, naast de koning post vatten en in houding staan voor de Brabançonne. Bij dit protocollair cynisme hoeft geen enkele aanhanger van het ancien régime zich nog zorgen te maken over statuut nr. 1 van de Nieuw-Vlaamse Alliantie. De partij neutraliseerde de Vlaamse beweging en bestuurt België zonder de PS: doel bereikt, en het scheelt een feestdag.

Johan Sanctorum

Helfie, help u selfie

25 april 2015

Johan Sanctorum

Alleen al het feit dat een regerende partij van de Verandering uitpakt met een goed-gevoel-campagne, bewijst dat de resultaten mager zijn.

Er is al veel inkt gevloeid over het nieuwe N-VA-kenteken, zijnde de opgestoken hand ter vervanging van het V-gebaar. Dat was ook de bedoeling: zo’n campagne viseert vooral de ‘talk of the day’ te zijn, net na een betrekkelijk nieuwsluwe Paasvakantie, waarbij enkel 900 verdronken bootvluchtelingen ei-zo-na de pret bedierven. Het gonst daarbij op facebook en twitter van de ironische commentaren en parodieën: ook mooi meegenomen.

Maar tegelijk verdient deze tekenwissel met begeleidende emo-filmpjes ook wel een diepere analyse. De eerste vaststelling is tegelijk de belangrijkste: dit gaat niet over inhoud maar over perceptie. De partij worstelt met een imagoprobleem van ‘hard’ en asociaal. Tegelijk associeert niemand in Vlaanderen nog die ‘V’ met het woord Verandering, bij een partij die zich perfect wist in te kapselen in het Belgische status-quo.

Om daaraan te verhelpen wordt niet de politieke koers gecorrigeerd, laat staan een intern ideologisch debat gehouden, maar worden wel professionele marketeers ingeschakeld om iets aan dat imago te doen. Dat herinnert aan de gouden tijd van de spin doctors, de Noël Slangens en Jan Callebauts die beeldmatig heer en meester waren over hoe een partij zich profileerde, als gold het een frisdrank of een automerk. Vandaag is dat voor de N-VA Erik Saelens van het marketingbureau Brandhome.

Iets voor scouts

Het was indertijd ook Saelens die de N-VA de gele kabouter aanpraatte,- al bij al toch een knullig symbool. Zoals achteraf bleek omdat hij nog een enorme stock van die in Duitsland geproduceerde dingen had liggen. Meteen ontsierde dat object tal van Vlaamse voortuinen die sowieso toch al niet in smaak excelleren. Een nogal dubbelzinnige link tussen het postmoderne N-VA-flamingantisme en de klassiek-Vlaamse kneuterigheid. Niet voor mensen met een fobie voor kitsj.

Maar nu dus het nieuwe begroetingsteken. Het feit alleen al dat een partij nog uitpakt met een fysiek herkenningsgebaar, is een relict van het eerste deel van de 20ste eeuw. Het suggereert volgzaamheid, consensus, discipline, groepsgeest. Iets voor scouts en andere uniformhobby’s. Bij een partij komt het over als een gebaar van ‘ik-denk-niet-na-want-de-leider-doet-dat-voor-mij’. Partijen zijn sowieso op hun retour, en disciplinepartijen nog meer. Het feit dat de N-VA desondanks deze obligate lichaamscode resoluut wil uitspelen, bewijst dat ze de Vlaming ook fundamenteel ziet als iemand die in het gareel wil lopen. Ik mag er niet aan denken hoe die hand dan verder kan evolueren. In een volgende fase gestrekt naar boven, de vingers aan elkaar gelijnd? Help eens, Charles Chaplin.

Voor de rest wemelt het in deze kaboutermars van déja-vus. In de weg liggende bomen opruimen, een auto met panne voortduwen: het is al zo dikwijls als beeld gebruikt voor het idee van ‘wij timmeren aan de weg’. Bijzonder ongelukkig zijn ze bij de CD&V omdat de sfeer en taal van de campagne zo goed lijkt op hun filmpjes met krek dezelfde beelden. Dat is ook weer niet toevallig: de N-VA wil dé centrumpartij worden in Vlaanderen (of is het al), alias de CVP in haar glorietijd, en moet het dus hebben van de softe, haast melige toon rond eendracht en verbondenheid. Dus moest Erik Saelens wel gaan shoppen. Van grote creativiteit getuigt het allemaal niet, evenmin als het gelanceerde woord ‘helfie’ (koosnaampje voor wie klaar staat voor anderen). Dat woord bestond al, zij het in een andere betekenis van…  iemand die hulpeloos op zoek is. Tja. Het kan nu moppen gaan regenen over sputterende motoren, achteruitversnellingen en gammele politieke vehikels die richting autokerkhof worden geduwd. Of over bloedzuigers die opduiken tijdens de aangekondigde bloedgeefactie (‘roodshow’).

Bij een neoliberale partij, die ook nog even snel ‘sociale volkspartij’ wil heten, krijg je dus zoiets. Anders gezegd: het is niet omdat de N-VA met gemak zo tussendoor één miljoen Euro kan spenderen aan een ‘feel good’-campagne, met vooral tweedehandsmateriaal, dat de Vlamingen onder de indruk zullen zijn. Ik hoop voor Saelens en C° zelfs dat deze actie niet verzandt in hoongelach vanuit de Vlaamse onderbuik en zijn sociale media.

Mantelzorg

Want wat is namelijk het probleem? Dat de poging om de perceptie bij te sturen, zoals dat heet, nogal vloekt met de realiteit. Teveel mensen ondervinden al aan den lijve dat het sociaal bergaf gaat, en dat je met goed gevoel geen brood op de plank krijgt. Campagnes rond geluk en samenhorigheid krijgen dan snel iets lachwekkend en zelfs cynisch. Ook daar zijn legendarische voorbeelden van. Helemaal in de nadagen van het Derde Rijk, april 1945 toen de Russen al voor Berlijn stonden, liet propagandaminister Joseph Goebbels nog soldaten van het front weghalen om mee te spelen in een groteske historische film die de mentale kracht van de Duitsers dik in de verf moest zetten. Goebbels’ redenering: ook al stort alles in, als de moraal er is, komt alles goed. Maar toen waren er dus nog geen sociale media.

Niet dat ik Saelens en zijn opdrachtgevers met dit grote voorbeeld zou willen vergelijken. Maar een partij die bezuinigingen in de sociale sector als ijskoude topprioriteit heeft gesteld, en daar ook prat op gaat, moet opletten met al te warme boodschappen. Uiteindelijk blijft Theodore Dalrymple, de man die alle maatschappelijke solidariteit en publieke zorg als ‘sentimenteel’ opvat, dé goeroe van voorzitter Bart de Wever. Met de regelmaat van een klok doen coryfeeën als Zuhal Demir en Liesbeth Homans uitspraken die werklozen schofferen.Terwijl radeloze werkzoekenden tientallen sollicitatiebrieven per dag schrijven en niet eens een antwoord krijgen. En terwijl we van de VDAB zonet te horen kregen dat gemiddeld 7.326 leerkrachten op het einde van elke maand naar een job zoeken, terwijl er gemiddeld maar 417 vacatures zijn.

Heel de genante discussie rond de afschaffing van de mantelzorg (werklozen die vrijgesteld worden van sollicitatieplicht om een hulpbehoevend familielid te verzorgen), waarbij de N-VA zich weerom als hardliner opstelde, is al evenmin te rijmen met het aandoenlijke beeld van kindjes die het karretje van twee oudjes weer in gang proberen te duwen. Overbodig om nog eens al de oneliners van Jan Jambon op te lijsten, de man die het belasten van de lucratieve diamantsector als ‘heksenjacht” beschouwde. De N-VA is en blijft de partij van de haves, niet van de have-nots. Helfie, help u selfie.

Alleen al het feit dat een regerende partij van de Verandering haar publiek moet masseren met een goed-gevoel-campagne, bewijst dat de resultaten mager zijn. Meteen kunnen we ons weer afvragen of die dotaties aan de politieke partijen (12,27 miljoen Euro per jaar voor de N-VA), tenslotte betaald met ons belastinggeld, wel goed besteed zijn. Deze zelfbedieningsconstructie van de verzamelde particratie maakt ons leven er niet beter op, zoveel staat vast. Als er dan toch overal moet bespaard worden, mag hier zeker ook het mes in.

Ook al denken de marketingbureaus daar anders over.

Europa en de privacy-wetten: seks, leugens en lobby’s

15 maart 2015

Johan Sanctorum

Een liberaal die onze privacy moet bewaken? – Dat was mijn eerste ongelovige bedenking toen Bart Tommelein (Open VLD) vorig jaar werd ingezworen als Staatssecretaris voor Bestrijding van de Sociale Fraude, Privacy en Noordzee. Heeft de Oostendse beschermdolfijn der zelfstandigen, die carrière maakte in de financiële sector, beslist affiniteit met de eerste en de laatste materie,- nummer twee lijkt wat op het verhaal van de pyromaan die mee helpt blussen.

Niet dat ik Tommelein verdenk van enige kwade bedoeling, het gaat hem puur om de ideologie: wie het onbeperkt vrije verkeer van goederen, diensten, personen en informatie toejuicht, kan het verhaal van privacybescherming alleen maar als een domper op de feestvreugde zien. En inderdaad, wat blijkt? Het zijn vooral liberale decision makers die de voet op het rempedaal zetten als het gaat over de bescherming van de privé-sfeer.

En vermits de wetgeving terzake net nu op de Europese agenda staat, is een omweg langs Brussel en Straatsburg gepast.

Loveboat

Zopas kon u in Doorbraak een bespreking lezen van het jongste boek van Derk Jan Eppink, ‘Het rijk der kleine koningen – Achter de schermen van het Europees Parlement’. Het gewezen EU-parlementslid geeft ons daar een amusante maar ook wel ontluisterende inkijk in de Europese cenakels. Doorgeschoten ego’s à la Guy Verhofstadt voelen er zich kiplekker, en voeren er een theaterfestival van de zelfgenoegzaamheid op.

Dat vertoon is echter maar het topje van de ijsberg. De Euro-bubbel krijgt namelijk ook steeds meer greep op ons dagelijks leven dankzij duizend en één wetten en reglementjes. De EU-parlementsleden staan daarbij onder druk van de nationale regeringen,- ministers en staatssecretarissen dus-, maar laten zich ook gewillig benaderen door lobbyisten van allerlei slag: agenten van belangengroepen en privé-organisaties die het wetgevend werk willen ‘bijsturen’. Via het geschikte glijmiddel uiteraard. Onvermijdelijk komt in dat opzicht een ander fenomeen in beeld: het vrolijke privé-leven van de parlementariërs dat ze beslist niét te grabbel willen gooien en dat zich natuurlijk vooral buiten de parlementaire zittingen afspeelt. Ook daar doet Derk Jan Eppink een boekje over open.

Tussen de regels begrijpen we waarom oudere politici zo tuk zijn op een fin-de-carrière in Europa: om van hun vrouw weg te zijn, én om in de koffer te kunnen duiken met hun secretaresse/maîtresse. U begrijpt: Straatsburg is ver, de dagen druk en de nachten eenzaam. In de vijfsterrenhotels komt puntje bij paaltje en zijn de maîtresses naast de luxe-escorts kind aan huis, tenzij de parlementairen kiezen voor een privé-optrekje, dat alles uiteraard als onkosten in te brengen. Eppink gewaagt zelfs van een heuse ‘loveboat’: dit milieu trekt een bepaald soort vrouwen aan dat kickt op mannen in maatpak, de glamour, het lekker tafelen, de dienstauto’s, de snoepreisjes. Gemiddelde leeftijd van de ‘secretaresses’: 25 à 30 jaar,- hier geen sprake van het activeren van bruggepensioneerden.

Politiek en hormonen dus, de macht die zogenaamd erotiseert. Gek, want een paar weken geleden kwam Jean-Marie Dedecker in Knack ook al met zo’n smeuig stukje af over de mandatarissen en hun brede matras (‘Waar macht regeert vliegen de hormonen en de oestrogenen door het zwerk.’) Het betreft hier telkens bekentenissen van uitbollende/afscheid nemende politici die graag een boekje willen opendoen, deels om nog wat uitstaande rekeningen te vereffenen, maar eventueel ook als ultieme bekentenis/genoegdoening naar het thuisfront toe.

Dat hormonenverhaal komt natuurlijk overal voor waar heren-van-stand belangrijk staan te wezen. In de politieke context is het echter extra relevant, omdat vermoedelijk het spel van lobbying en manipulatie voor een flink deel langs het liefdespad verloopt. Vreemdgaande politici zijn daarbij buitengewoon chanteerbaar, en het is voor pakweg een farmaceutisch bedrijf of een sigarettenfabrikant veel veiliger om een gewillige dame in te huren dan zomaar een berg cash op tafel te leggen. Er is hier namelijk geen sprake van corruptie of omkoping, c’est l’amour. Anders gezegd: de loveboat maakt deel uit van de lobbymachine, en de door ons zo gehate EU-regelgeving is resultaat van hard nachtwerk.

Klokkenluiders

Dat brengt ons weer bij de Europese privacy-wetgeving waar, ironisch genoeg, zelf een sterke zweem van geheimhouding en manipulatie over hangt. De belangen zijn dan ook enorm: privé-informatie wordt ‘het nieuwe goud’ genoemd in dit cybertijdperk. Vooral de internetgiganten zoals Google, Facebook, Amazon, en E-Bay zijn vragende partij om die informatie zoveel mogelijk vrij verhandelbaar te maken. Alles wat u doet, zegt, schrijft, overal waar u komt, welke winkels u bezoekt, interesseert hen. Het internet fungeert als een enorm reservoir van privé-informatie (die we er al dan niet zelf opzetten), bedrijven kopen die gegevens dan weer op, uitgesplitst volgens doelgroep, voorkeur, enz.

De lobbyisten (naar schatting lopen er alleen al in Brussel zo’n 30.000 rond) werken nu op twee fronten. Terwijl het Europees Parlement verder bakkeleit rond het privacy-wetsvoorstel dat het al in 2013 op papier zette, zijn nu ook de respectieve lidstaten amendementen aan het indienen, die vooral de bescherming van de privésfeer weer moeten uithollen. De jonge Oostenrijkse klokkenluider Max Schrems vlooide een en ander uit, en ontdekte dat teksten van lobbyisten soms letterlijk worden overgenomen in de wetsvoorstellen of de amendementen. De webstek Lobbyplag.eu, voortbouwend op het onderzoekswerk van Max Schrems, publiceerde ruim 11000 (geheime) documenten m.b.t. het EU-lobbywerk, en wat blijkt? Al in 2013 beijverde voormalig eurocommissaris Louis Michel (MR) zich enorm in het afzwakken van de teksten. Sommige bleken inderdaad regelrechte copy-paste van door privé-personen en –bedrijven aangedragen wijzigingen, wat Michel even in nauwe schoentjes bracht.

Maar ook genoemde Bart Tommelein, onze privacyminister dus,  is nu recent volop bezig met het amenderen en afzwakken van de teksten die de persoonlijke levenssfeer moesten beschermen. Zo stelt hij voor om in de term ‘expliciete toestemming van de consument”, het woord ‘expliciet’ weg te laten, wat veel meer ruimte geeft voor Google, Facebook en C° om daar zelf een draai aan te geven en er een ‘stilzwijgende toestemming’ van te maken. Cui prodest? Wie wordt hier beter van?

Heel dit verhaal laat een wrange nasmaak over de manier hoe de EU-besluitvorming, in relatie tot de nationale directieven, met de democratie een loopje neemt en eigenlijk met iets anders bezig is dan de belangen van de burger/consument. Het Europees Parlement drijft niets op de spits en laat het lobbywerk zijn gang gaan. Eppink lichtte een tipje van de sluier op waarom dat zo is. Het onrustwekkende is tevens dat dit op alle niveaus gebeurt, tot en met het laagste: ook in onze randgemeente Overijse wordt het lokale beleid gekleurd door privébelangen, vooral vanuit de vastgoedsector, waarin de familie van de burgemeester actief is. Op een boogscheut van de Brusselse Euro-wijk, ik moet er geen tekeningetje bij maken.

Het bewijst dat op alle niveaus, van hoog tot laag, klokkenluiders en burgerinitiatieven absoluut noodzakelijk zijn om de democratie, of wat daar voor doorgaat, niet echt te laten ontsporen.

Waarom de N-VA een echte volkspartij is

8 maart 2015

Johan Sanctorum

De deining rond de fotoshoot van kamerlid Zuhal Demir (N-VA), genereus poserend in het federaal parlement voor de cover van P-magazine, is nog niet helemaal geweken. Dat was ook de bedoeling: op een moment dat haar partij het niet echt goed doet (Uplace enzo, ongeruste mantelzorgers, Vlaamse onafhankelijkheid helemaal van de agenda verdwenen), en een minister van Mobiliteit zich van zo’n schamele vier miljard vergist in een mobiliteitsdossier, mag het grof geschut wel worden bovengehaald.

En eerlijk: Zuhal heeft een mooi lijf, ze kijkt je met die zwoele Oriëntaalse blik aan als een prinses uit de sprookjes van duizend-en-één nacht, niet vulgair maar mysterieus, niet onnozel maar guitig, elk plekje bloot bestudeerd versluierd met half-doorzichtige stof, waaruit de waarheid van God spreekt, voor mannen dan toch.

Duizelingwekkende diepten

Theologie dus. Het dichtst benaderde de commentaar van kerkjurist Rik Torfs nog de essentie: ‘Ik sta hier volledig achter. We kenden al de duizelingwekkende diepte van haar ideeën. Nu kennen we ook die van haar decolleté.’

Dat vereist enige duiding. Zuhal Demir is een neoliberale hardliner binnen de N-VA, bekend voor harde standpunten inzake werkloosheidsuitkeringen en stakingsrecht. Zo’n ijzeren imago kan best wel wat zacht satijn en kanten borduursel kan gebruiken. Torfs poneert daarmee subtiel de harde ideeën tegenover het zachte decolleté, en schat ze in als twee helften van éénzelfde perceptiemechanisme. Noem het de voor- en de achterkant van Zuhal.

Verdere beeldspraak over spreidstand zou hier ongepast zijn, maar toch: indien de N-VA de VOKA-kapitalisten én de kleine man/vrouw wil blijven aanspreken, de fameuze middenklasse maar ook diegenen die uit de boot vallen en straks, als het van Zuhal afhangt, als werkloze op de kasseien zullen terecht komen, is een brede, doelgroepgerichte communicatie wel gepast.

Op die manier worden de verhuurders bediend die niet willen ‘gepest’ worden met een indexsprong, maar ook de huurders die in het OCMW-wachtlokaal P-magazine mogen bestuderen en vaststellen dat ze toch goed gekozen hebben.

In die zin loopt elke vergelijking met iron lady Margaret Thatcher, die wel eens gemaakt wordt, mank. Thatcher straalde uit waarvoor ze stond en was iemand die je, zelfs als man met een zwarte gordel karate, niet in het donker wou tegenkomen. Liesbeth Homans heeft een gelijkaardig diepvriesimago: een compleet gebrek aan sex-appeal, waardoor ze gedoemd is om steeds maar weer op dezelfde nagel te kloppen en zo het anti-sociale beeld van haar partij versterkt.

Maar Zuhal Demir is andere koek. De softe erotisering van haar hardlinerschap beoogt een depolarisatie en een nieuwe cohesie van mannelijke bewonderaars,- evenwel zonder dat de vrouwen mogen gebruuskeerd worden. Raffinement is dus geboden. Vrouwelijke kritiek is er dan ook nauwelijks, op een paar oerlelijke – en dan nog Franstalige – jaloerse donders na, genre Catherine Fonck (cdH), die zich ging beklagen bij de kamervoorzitter omwille van deze dubbele kaakslag tegen de democratische instellingen én tegen het vrouwelijk fatsoen. Een kamervoorzitter die verdorie dezelfde partijkaart heeft als la Demir en dus nergens graten in zag. O tempora, o mores.

Spektakelmaatschappij

Meteen kunnen we de voltreffer van Rik Torfs ook volwaardig naar de moderne communicatiewetenschap terugkoppelen: the medium is the message, en in dit geval is the medium het lichaam van Zuhal Demir. Voor ouderwetse politieke koffiedikkijkers genre Kris Deschouwer, Stefaan Walgrave, Marc Swyngedouw e.a., die zich verliezen in discussies over het engelengeslacht van de kiezer, is dat een onbegrijpelijke zaak: welkom in de 21ste eeuw, heren. Wat er in het hoofd van de kiezer omgaat, is van geen tel meer. Het via de media gecreëerde beeld domineert alles en iedereen, tot en met de laatavondshow van Lieven Van Gils waar de P-cover opnieuw het onderwerp van de dag was, met Zuhal alweer in de glansrol.

Zei ik 21ste eeuw? Al in 1967 had ene Guy Debord, situationist en anarchist, een vermakelijk boekje geschreven, ‘La Société du spectacle’, waarin hij uiteenzet hoe het beeld, en reeksen van beelden, een eigen realiteit gaan uitmaken, een ‘verhaal’ dat het onze niet is, maar dat we ons toch helemaal toeëigenen. Deze pseudo-werkelijkheid bepaalt onze keuzes als consument, als burger, als kiezer, als toeschouwer. De media, van De Standaard tot P-magazine, en van de VRT tot VTM, zijn beeldfabrieken waarin de verhalen ontstaan, gerecycleerd worden, of eventueel gedumpt. De zgn. sociale media doen niets anders dan ze verder viraal verspreiden en eventueel zelfs aandikken. Dé werkelijkheid, als iets onafhankelijk van de perceptie, bestaat niet meer, als ze al ooit heeft bestaan. We leven in een virtuele realiteit, iets waar ook mediafilosoof Jean Baudrillard zinnige dingen over heeft geschreven.

Dankzij die onderdompeling in de illusie kunnen we elke chaos aan en accepteren we elke ongerijmdheid. De TV-soap is het oermodel: miljoenen Vlamingen leven mee met de personages van de serie die heel toepasselijk ‘Thuis’ heet. De wedervaren van Simonneke zijn veel reëler geworden dan wat zich in hun eigen bestaan afspeelt. Zij doet echt vergeten en nodigt ons uit om in haar huid te kruipen. Zij is niet zomaar een personage in een verhaal, zij is collectief bezit, een objectiviteit die zoals het weer dagelijks omslaat en die alles kijkers mee doet omslaan.

En dat brengt ons weer tot de P-cover van Zuhal Demir en de natte droom van politici om tot een icoon uit te groeien dat collectief bezit is. Bart De Wever bereikte die status op zijn manier, maar de N-VA kan geen éénmanspartij blijven en heeft nieuwe iconen nodig die ‘boven alle verdenking staan’. Die zullen de intellectuele klasse van De Wever niet hebben, maar des te meer decolleté. Ik bedoel dat niet eens seksistisch: Demir is niet op haar mondje gevallen en allerminst een domme bimbo. Maar de partij zal wel steeds meer beelden moeten verkopen en minder programma, wil ze haar status van dominante formatie behouden.

Het profiel van Zuhal Demir heeft dus een grote toekomst voor zich. Niet omwille van dat semi-bloot op zich, maar omdat ze zich voluit als publiek object en gemeengoed durft te presenteren,- iets waar alle ouderwetse feministen van gruwen en waar alle doorsnee-politici enkel van kunnen dromen. Kortom: Zuham Demir is van iedereen, zowel haar voor- als achterkant, in al haar duizelingwekkende diepten.

Dat een zogenaamd conservatieve partij als de N-VA zo goed weet om te gaan met deze postmoderne spektakeldemocratie, maakt haar tot een echte volkspartij,- of ik dat nu als gemeend compliment bedoel dan wel ironisch, dat doet zelfs niet terzake.

(c) P-Magazine

Bwana kitoko: de Belgische ontwikkelingshulp en het corrupte Kinshasa-regime

1 maart 2015

Johan Sanctorum

‘De Congolees-Belgische vriendschap is geen vrijblijvende vriendschap’, aldus minister van Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo (Open VLD), zopas terug van een bezoek aan Kinshasa samen met zijn collega-vicepremier Didier Reynders (MR). Een omzwachtelde manier om te zeggen dat er voorwaarden inzake mensenrechten en democratie verbonden waren aan de toegezegde 10 miljoen euro voor infrastructuurprojecten in Noord- en Zuid-Kivu. President Kabila jr. had nog maar net geprobeerd om de kieswet naar zijn hand te zetten om aan de macht te blijven. Het daarop volgende straatprotest leverde 27 doden op, terwijl het internet werd plat gelegd. Vandaar.

De uitspraak van De Croo viel slecht bij de presidentiële entourage. Een nukkige Kabila wou met Alexander niet op de foto: het zijn alweer de Vlamingen die het feest verknallen, moet hij gedacht hebben – zie ook de gepeperde uitspraken van Karel De Gucht in het verleden.

Tja, wat doen wij daar eigenlijk nog in Congo? Even het geheugen opfrissen.

De rijkste én de armste

Congo is een Belgische ex-kolonie, dat is nu eenmaal een feit. Het tumultueuze onafhankelijkheidsproces, begin de jaren ’60 van vorige eeuw, is onverbrekelijk verbonden met de historische speech van Patrice Lumumba op 30 juni 1960. Hij veegde niet alleen de daar aanwezige koning Boudewijn de mantel uit, hij beschuldigde ook de Belgen van misdaad tegen de menselijkheid en, veel erger nog: hij dreigde de mijnindustrie te nationaliseren.

Een goed jaar later werd hij geëxecuteerd en loste men zijn lichaam op in zwavelzuur, een actie getekend de CIA, met medeweten en goedkeuring van het Belgische koningshuis en de kringen daar rond. Dat blijkt uit documenten die in 2002 door de Verenigde Staten werden vrijgegeven.

Sindsdien heeft dit land nooit iets anders gekend dan corrupte, aan Amerika en het Westen verkleefde machthebbers. Dat heeft uiteraard alles te maken met de enorme rijkdom aan grondstoffen die Congo bezit. Tonnen koper, mangaan, zink, uranium, goud en diamant liggen nog op ontginning te wachten. De Congorivier bevat 80% van de planetaire kobaltvoorraad, noodzakelijk voor telecommunicatie (uw GSM dus), vliegtuigindustrie en allerlei hoogwaardige technologie. Daarnaast produceert dit vruchtbare land koffie, cacao, palmolie en oogst het tal van tropisch fruit.

Een aards paradijs zou men denken. Maar neen. Volgens de VN-index is Congo na Niger het minst ontwikkelde land ter wereld. Het gemiddelde daginkomen bedraagt er zowat één dollar, en dat is dan nog een gemiddelde. Velen verdienen een pak minder en leven uitsluitend van bedelarij, prostitutie en allerlei criminele overlevingstactieken. De reden van deze extreme armoede is bekend: de cohabitatie tussen een kleine, schatrijke elite rond de president met de buitenlandse mijnbedrijven zorgt ervoor dat de rijkdom niet terugvloeit naar de bevolking, en evenmin naar onderwijs, sociale zorg, infrastructuur. De buitenlandse bedrijven worden zowat aan een nultarief belast en sponsoren in ruil ongegeneerd het regime. Het gaat hoofdzakelijk om Amerikaanse multinationals, naast een aantal (ook weer sterk met onze koninklijke hofhouding verweven) Belgische industriële families, zoals Damseaux en Lippens. Vandaag proberen ook Zuid-Afrika en het grondstoffen-hongerige China een deel van de koek binnen te rijven.

‘Pacificatie’

De figuur die in 1965 Lumumba’s plaats mocht innemen, kolonel Mobutu Sese Seko, was de juiste man op de juiste plaats voor deze oligarchen. De multinationals konden ongestoord hun gang gaan met quasi-gratis arbeidskrachten. Zelf graaide Mobutu een onbecijferbaar fortuin bijeen op Zwitserse bankrekeningen (men schat tot 80% van het staatsinkomen!), terwijl zijn land grotendeels met ontwikkelingshulp werd recht gehouden. Onder deze met luipaardmuts getooide leider stierf zowat één derde van het ondertussen tot Zaïre omgedoopte land aan ondervoeding. Dat leidde uiteindelijk tot een machtsgreep in 1997 die Laurent-Désiré Kabila op de troon bracht, ooit een Lumumba-sympathisant, maar uiteindelijk niet veel meer of minder dan een Mobutu-kloon die het al even bruin bakte als zijn illustere voorganger.

Sindsdien is het land compleet onstabiel en platgelopen door allerlei rebellenmilities, veelal gesteund door buurlanden Oeganda en Rwanda, uiteraard ook op vinkenslag omwille van de  grondstoffenvoorraad. Het zwakke en onderbetaalde Congolese leger plundert en probeert hier en daar zelfs de mijnexploitatie voor eigen rekening over te nemen,- vandaar de beruchte ‘bloeddiamanten’. Die burgeroorlog gaat tot op vandaag door, ook onder zijn zoon Joseph Kabila die in 2001 na de moord op zijn vader de winkel overnam.

Trieste balans van een failed state die in feite nooit gedekoloniseerd is geweest. In dat opzicht is de zogenaamde ontwikkelingshulp puur theater, en de modale Congolees weet dat ook. Het subsidiëren van een stukje spoorweg of een kraamkliniek lijkt op het eerste gezicht hulp die de bevolking zelf ten goede komt, maar is nader bekeken een gift aan Joseph Kabila en zijn entourage, met oog op een pacificatie van de regio.

Dat woord is zoals bekend een eufemisme: de projecten hebben vooral een kosmetisch karakter en moeten de Congolezen de indruk geven dat het beter gaat, zodat het establishment niet verontrust wordt. Dit contrarevolutionair aspect van ontwikkelingshulp speelt uiteraard in op onze emoties ten aanzien van de zwartjes en, jawel, de zogenaamde morele schuld van België als gewezen kolonisator.

De ‘vriendschap’, al dan niet met het opgeheven vingertje, en de dwangmatige rituele bezoeken aan de ex-kolonie horen bij dat theater. In wezen zijn het echo’s van de mythische reis van koning Boudewijn door het land in 1955. Hij werd er toen door een uitzinnige menigte als een halfgod ontvangen en kreeg de bijnaam Bwana Kitoko (‘edele meester’, volgens kenners echter ironisch bedoeld). De nostalgie naar die periode, vooral in francofoon België, vertroebelt de waarheid dat dit land andere leiders verdient en, erger, dat wij een tot in het merg corrupt regime in het zadel houden.

Vooruitziendheid

We zijn dus fout bezig: wie zo’n rijk-arm land steunt, steunt de ongelijkheid en het daarmee verbonden politiek stelsel. Een grondige herziening van de structurele ontwikkelingshulp aan Congo dringt zich op. Noodhulp in geval van hongersnood, droogte of epidemies kan uiteraard altijd. Voor de rest zou Vlaanderen, eens zelf bevoegd in deze materie, het verschil kunnen maken. Wij hebben stevige historische argumenten: het 19de eeuwse België van Leopold II hakte de handjes af in Congo maar behandelde ook de Vlamingen als tweederangsburgers en als petits nègres. De francofone nostalgie naar dat glorieus tijdperk is groot, en bepaalt voor een flink deel nog steeds de Belgische Afrika-diplomatie. Het zelfverzekerde optreden van figuren als Didier Reynders moet men in het licht van dat suprematisme bekijken. De strijd van de Congolezen daarentegen is voor een deel herkenbaar als onze strijd voor zelfbeschikking. Het is misschien niet toevallig dat de alhier verblijvende gemeenschap van uitgeweken dissidenten zich plots tot de N-VA wendde,- niet dat die partij daar verder veel mee deed.

Het enige wat Congo uit de verpaupering kan redden is een nieuw Lumumba-moment, de installatie van een volksregering die de florissante mijnindustrie én de voedselteelt nationaliseert, of er minstens stevig in participeert en ze fiscaal aanpakt. De opbrengsten horen het volk toe, niet de elites.  Ze dienen aangewend om de zo noodzakelijke infrastructuur uit te bouwen en een degelijk sociaal zorgsysteem op poten te zetten. Dat zal de rebellenlegertjes veel wind uit de zeilen nemen.

Als klein land kan België, of straks Vlaanderen, het Kabila-regime niet ten val brengen. Maar we kunnen wel het juiste signaal geven. En als straks het volk écht in opstand komt –en de voortekenen zijn er-, is het misschien wel interessant en moreel aangenaam om aan de juiste kant te staan, en niet gecatalogeerd te worden als steunpilaar van het ancien régime. Vooruitziendheid heet dat, een veel betere optie dan nostalgie.

Het verdriet van links Vlaanderen

23 februari 2015

Johan Sanctorum

Hoe de sp.a het bedje spreidde van de N-VA … en waarom het sociaal-flamingantisme in de goede bedoelingen blijft steken

In de marge van de kleurloze voorzittersstrijd binnen de sp.a, waar Daniël Walraeve het in Doorbraak al over had, mag ook even stil gestaan worden bij het onvermogen van deze partij om ook maar enige voeling te hebben met het Vlaams nationalisme, en al evenmin met de 21e-eeuwse Vlaams-republikeinse variant ervan.

De ‘lange mars door de instellingen’

Links én flamingant, het blijft een moeilijk duo. Uiteraard kadert een en ander in de decennialange demonisering van de Vlaamse Beweging, als zogenaamde restfractie van ons collaboratieverleden, en de ambitie van links om de Vlaming politiek-correct te heropvoeden. Zoiets past enkel in een Belgisch kader, onder de vleugels van de Waalse zusterpartij. Maar nu beiden in de oppositie zijn beland, is dat pedagogisch project opgeschort en moet het echte socialisme naar boven komen. Quod non.

In de voortschrijdende sclerose van deze zogenaamde partij van de kleine man/vrouw bekleedt de generatie van de mei 68’ers, die in de Gentse vrijmetselaarsloges de paarse regering onder Guy Verhofstadt bedisselden, een sleutelpositie. Ter herinnering: het woelige jaar 1968 was het toneel van studentenopstanden overal in Europa, tegen de gevestigde macht, de traditie en allerlei heilige huisjes. Inspraak, contestatie, leut, vrije seks, anti-autoritaire slogans vormden de ingrediënten van wat zichzelf als een revolutie zag, maar dat in werkelijkheid niets meer was dan een tamelijk ludieke machtsaflossing.

Vandaar de welbekende term de lange mars door de instellingen’: de revolutie zou niet verder op straat worden uitgevochten, neen, idealistische voormannen zoals Luc Van den Bossche en Paul Goossens zouden de stropdas aantrekken en doorstoten naar de hoogste posities in de samenleving, om van daaruit grote structurele omwentelingen te forceren. We weten waar ze zijn geëindigd: socialist Luc Van den Bossche bouwde vanaf 1989 een ministercarrière uit, genoot van de macht, werd steeds dikker en rookte steeds duurdere sigaren, ging uitbollen als gedelegeerd bestuurder bij Brussels International Airport Company, daarna Optima (riante ontslagvergoeding inbegrepen), en stuurde ten slotte zijn dochter Freya het veld in.

Het geval Paul Goossens is zo mogelijk nog frappanter: als linkse studentenleider schopte hij het in 1973 tot hoofdredacteur van de (toen nog duidelijk katholieke) Standaard, daarna De Morgen, werd een van de pleitbezorgers van het Belgische establishment en de eurocratie, om dan een rustige oude dag te slijten als Belga-correspondent en hoofdredacteur van de Christen-Democratische Omroep (!).

Familiebedrijf

Ik beschrijf kort het carrièrepad van die twee, omdat het de mentaliteit typeert van wat men het salon- of kaviaarsocialisme is gaan noemen: hoog opgeleide, vlotte en welbespraakte maatpakken die in de sociaaldemocratische retoriek het perfecte vehikel zien om carrière te maken. Enig cynisme is nooit ver weg. In hun zog opereerden intellectueel minder beslagen maar demagogisch des te talentrijkere figuren zoals Patrick Janssens en Robert ‘Steve’ Stevaert, die de afstand met het volk konden verkleinen dankzij marktkramerspraatjes en de welbekende gratispolitiek.

Maar naarmate de lijken uit de kast vielen van die sinterklaaspolitiek, en de marketingtrucs op geraakten, bereikte dat socio-populisme zijn houdbaarheidsdatum. Langzamerhand werd de partij haar eigen karikatuur: een grotesk samenraapsel van machtsgeile satrapen die alleen tijdens de verkiezingen hun achterban herkennen, en die op het ultieme moment altijd weer op het Belgisch establishment terugvallen, waarin de etatistische, collectivistische PS de toon zet.

Het is deze levende karikatuur die voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie een centraal strategisch element werd, een pispaal waartegen ze zich eindeloos kon afzetten, en waardoor het woord ‘socialist’ in Vlaanderen bijna een scheldwoord werd. De Vlaamse grondstroom’ was een feit. Kon het Vlaams Blok/Belang nog via het cordon sanitaire van de macht gehouden worden, de N-VA speelde het leper en met meer intellectuele finesse. Ze profileerde zich als fatsoenspartij die het land wilde verlossen van de decadente rode bobo’s. Dat is ook gelukt. Met de verkiezing tot partijvoorzitter in 2011 van Bruno Tobback, zoon van zijn vader, advocaat, alpinist en bezitter van een zeiljacht, was de band tussen de postmoderne roosjes en de oude ’68-generatie zelfs fysiek-biologisch vastgelegd. Een flater van formaat: een socialistische partij die zich profileert als een archaïsch familiebedrijf.

Nu kon de pret bij de N-VA  niet meer op, en kwam ze werkelijk met alles weg. Bart Maddens heeft die analyse al een dozijn keer gemaakt. Met een rechtsliberale receptuur die beweerde sociaal te zijn, en met een Belgisch herstelprogramma dat probleemloos aan de flamingante basis werd verkocht, vrat ze electoraal zowat alles op wat in haar buurt kwam. Met de triomf van 2014 als voorlopig hoogtepunt.

Een Vlaamse Podemos?

De ‘oproep tot progressieve frontvorming’ vanwege Daniël Termont (sp.a) is alleen al daarom totaal ongeloofwaardig en zelfs lachwekkend. De echo vanwege neostalinist Peter Mertens (PVDA+) kan al evenmin ernstig genomen worden. Samen met Groen houdt deze linkerzijde zich angstvallig dicht bij de Belgische constructie en de oude zekerheden.

En zo komt het dat, zelfs in deze tijden van crisis, met een officiëel Vlaams armoedecijfer van 12%, links nauwelijks van de grond raakt. Ik vermoed dat een pak werklozen of mensen van de sociale onderkant heeft gestemd voor de ‘volkspartij’ die nu, tegen het regeringsakkoord in, toch probeert om de werklozensteun in de tijd te beperken. Deze politieke paradox mag op het conto geschreven worden van de verkalkte sp.a en de karikatuur die ze zelf neerzet, maar hoe staat het ondertussen met de sociaal-flamingante beweging die links niét aan de Belgitude koppelt?

Het is zonder meer de achillespees van heel het N-VA-verhaal: de dag dat er een radicaal-Vlaamse en tegelijk ongecomplexeerd linkse Podemos uit de klei schiet, heeft zij een probleem. Een partij die het onafhankelijkheidstreven en een identitair verhaal durft te koppelen aan verregaande hervormingen op gebied van belastingen, solidariteit, energie, bankensector, de houding tegenover Europa, enzovoort.

Maar die beweging komt niet van de grond. Voor een deel heeft dat beslist te maken met de N-VA-controle over het middenveld. Anderzijds tieren navelstaarderij en ideologische inteelt welig binnen die sociaal-flamingante scène: ze zijn vooral met zichzelf bezig. Marginale groupuscules zoals Meervoud (Brusselse ludieke maandbladredactie), Vrijbuiters (anarchistische naturisten, in de Kempen gesignaleerd, soms in Doel), de Vlaams-Socialistische Beweging (nog wereldvreemder, streeft naar een ‘socialistische Vlaamse staat’, hopelijk niet naar Noord-Koreaans model), de Sociaal-Flamingantische Landdag (de naam alleen al) boeren allen op hun vierkante meter, goed bedoeld, meestal in een zeer gezellige sfeer, maar zonder oog voor een overkoepelende politieke actie.

Onderlinge synergie en publieksverbreding zijn onbekende begrippen in deze middens. Initiatieven om de zaak open te trekken en aan frontvorming te werken, het middenveld te veroveren, worden schoorvoetend en met argwaan besnuffeld: het equivalent van de Vlaamse keuterboer,- uitgerekend in de hoek die ideologisch het meeste potentieel heeft om de rechts-liberale hegemonie binnen het Vlaams nationalisme te doorbreken.

Vergeten we ook de Gravensteengroep niet, ooit een ambitieuze poging om het flamingantisme met een vorm van progressief denken te verzoenen, maar geleidelijk aan verwaterd, en nu doodbloedend in een soft-Vlaams-belgicistisch sterfhuis.

In de marge dollen dan nog figuren zoals Nelly Maes, ooit op haar eentje de linker-Volksunievleugel, daarna opgedoken in Spirit – samen met Rossem een van de meest hilarische politieke charades die het naoorlogse Vlaanderen heeft gekend. Over Bert Anciaux zullen we helemaal zedig zwijgen.

Uplace en daarbuiten

Het zou nochtans een mooi project zijn: een radicaal-Vlaams en tegelijk groen-sociaal verhaal, waaruit dan een nieuwe politieke basisbeweging kan groeien. Zonet zijn de plannen voor het megakoopcentrum Uplace door de Vlaamse regering goedgekeurd. Een ideaal aangrijppunt om mensen te mobiliseren tegen de verdere betonnering van Vlaanderen en de teloorgang van de locale economie, dit onder het goedkeurend oog van de partij die zogenaamd de Vlaamse grondstroom vertegenwoordigt. Veeleer een vettige modderstroom lijkt het.

De jonge politicoloog Jonathan Holslag (VUB) heeft daar zopas in een De Morgen-column boeiende dingen over geschreven. Duidelijk iemand van links, bevestigt hij zijn sympathie voor een Vlaams-nationalisme dat gaat voor levenskwaliteit, weefselversterking, duurzaamheid, en, jawel, identitair bewustzijn en collectief zelfvertrouwen. De nieuwe republikeinse waarden dus.

‘Uplace is een strijddossier, een kleine economische Guldensporenslag aan het viaduct van Vilvoorde. Dat we de slag verloren hebben, doet mij vrezen dat we verder dan ooit staan van een zelfbewust Vlaanderen. Het is een zwaktebod, met de steun van een partij die de ambitie van positief nationalisme heeft laten schieten voor schijnnationalisme.’  Zo klinkt het.

Een streng en eerlijk verdict. Maar ook een spoorslag voor een sociaal-groene lente in de Vlaamse Beweging, onder het Franse motto: ‘Plus est en vous’.

Gouda: zijn kazen, zijn moskee, zijn muren

11 februari 2015

Johan Sanctorum

Hier gaan dus mijn luttele haren van recht staan.
Twee weken geleden betoogde ik nog dat godsdienstvrijheid een grondrecht is, maar dat de religieuze beleving ook een privé-zaak is die zich zoveel mogelijk buiten de openbare ruimte en de publieke sfeer dient te houden.
In het Hollandse Gouda zien ze dat anders. Ooit een vluchthaven voor vrijdenkers in de middeleeuwen en de tijd van de godsdienstoorlogen, wordt dit door links bestuurde stadje nu de plek waar de grootste moskee van Nederland moet komen. Niet zomaar een bidplek, maar een opzichtige megatempel die moet verrijzen waar nu de  Prins Willem-Alexanderkazerne staat. Publiek domein dus, dat binnenkort onherroepelijk overgaat naar de moslimgemeenschap die de sharia wil invoeren en door Saudi-Arabië en een aantal salafistisch-conservatieve groeperingen wordt gesponsord.

Want dat schijnt het PvdA-bestuur daar niet te beseffen: voor hen is het misschien een zaak van godsdienstvrijheid, voor de moslims zelf is het een bruggenhoofd in een heilige veroveringstocht doorheen Europa. Ben ik nu een doorgeslagen islamofoob? Oordeel zelf aan de hand van het vervolg van het verhaal.
Want laat nu net naast dat domein waar de moskee moet verrijzen, een kinderdagverblijf voor mentaal gehandicapte kinderen gevestigd zijn. Daar werken dus veel Hollandse vrouwen, met onbedekt hoofd, en ’s zomers zowaar in jeans of een rokje en met korte mouwen. Vrouwen die werken? En zonder boerka of nikab dan nog?? Neen maar, daar kunnen de mannelijke moskeegangers zich niet in vinden. Om hen niet te bruuskeren, oppert het stadsbestuur nu het idee om een hoge muur te bouwen tussen de twee domeinen.
U leest het goed: een muur, niet om de kinderen te beschermen tegen de fanatieke mannenblikken in deze door haatpreken vergeven enclave, maar om de mannen zelf niet bloot te stellen aan de visuele vervuiling van werkende vrouwen die zorgen voor gehandicapte kinderen.

Daarmee is weer een stukje Verlichtingsideaal gesloopt door weldenkend links, dat wel fulmineert tegen de muur tussen Israël en de Palestijnse gebieden, maar voor de rest vrolijk tussenschotten optrekt op vraag van één geïmporteerde subcultuur.
Wat cijferwerk leert ons vervolgens dat 20% van de Gouda-bevolking allochtoon is, waarvan het overgrote deel van Marokkaanse herkomst. Dat moet bij ons een lichtje doen branden, want België herbergt onder de allochtone populatie ook hoofdzakelijk lieden met Marokkaanse roots. Daarvan blijkt meer dan de helft fundamentalistisch en xenofoob te zijn, volgens recent onderzoek van het Berlijnse Centrum voor Sociale Wetenschap. Tot zover het sprookje over de allochtone kansarmoede en de xenofobe Vlaming: de xenofobie en de haat jegens andersdenkenden zit wel degelijk aan de andere kant van de muur.

Ik vind dit toch wel hilarische én verontrustende nieuws toevallig op een Nederlandse webstek, op aangeven van mijn compaan-rebel Marc Schoeters. In onze media daarover geen woord. Tik ik de naam ‘Gouda’ in op de zoekmachine van De Standaard én van De Morgen, dan vind ik enkel kaas. Echte zuivelkranten zijn het, en dan denk ik nog eerder aan platte kaas. Het kan niet zijn dat het legertje journalisten, dat daar dagelijks zijn broek verslijt, de feiten niet kent die ik als modale surfer wél ken. Ze willen/mogen er dus niet over schrijven. Boodschap begrepen. Geen nieuws is ook nieuws.