Skip to content

Lijdt de Vlaamse culturele elite aan een Stockholmsyndroom?

15 november 2014
by
 Johan Sanctorum

Frie Leysen (tweede van links), in hoog gezelschap, bij de ontvangst van de Erasmusprijs in Amsterdam

Eergisteren, woensdag 12 november 2014, mocht Frie Leysen de prestigieuze Erasmusprijs in ontvangst nemen uit de handen van de Nederlandse koning Willem-Alexander. De prijs gaat jaarlijks naar een persoon of instelling die een belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied.

Het curriculum van Frie Leysen is indrukwekkend. Ze heeft in het verleden het Antwerpse kunstencentrum deSingel op de kaart gezet, stond aan de wieg van het Brusselse Kunstenfestivaldesarts, en nam nadien de artistieke directie waar van verschillende internationale festivals zoals de Berliner Festspiele en de Wiener Festwochen. Dat ze de dochter is van de legendarische BRT-programmadirecteur Bert Leysen (1920-1959) zal haar carrière in het begin vast wel een duwtje gegeven hebben, maar wie maalt daar nog om? Frie heeft haar sporen verdiend en mag in de bloemetjes gezet worden.

‘Rebel’ én barones

Waar ik meer moeite mee heb, is de klein-aristocratische status die deze kunstenmaakster er sinds 1998 op nahoudt. Verheven worden in de Belgische adelstand kan een statussymbool zijn voor industriëlen en sportlui, maar als intellectuelen, die graag uitpakken met een hoge dosis maatschappelijke progressiviteit, de baron- of baronessenpruik opzetten, dan bloedt mijn republikeinse hart.

Je wordt namelijk niet zomaar baron(es), maar wel omdat je het regime én de dynastie een dienst bewijst. Het in 1994 door haar opgerichte Kunstenfestivaldesarts was, behalve een jaarlijks evenement voor podiumkunsten, ook een duidelijk statement voor een unitair Belgisch kader dat zich moest ontplooien via een tweetalig cultureel programma. Frie en haar festival werden, of ze het nu wou of niet, een uithangbord van het Belgique-à-papa.

Dat establishmentgehalte vloekt enorm met de woorden die ze uitsprak, net naar aanleiding van die prijsuitreiking in Amsterdam. Ik haal er drie sleutelpassages uit:

‘Behalve als een alarmsignaal, beschouw ik deze prijs vooral als een pleidooi voor een vrijzone, waarin kunstenaars hun visies en artistieke talen kunnen ontwikkelen, kritisch onze maatschappij kunnen analyseren, wijzen waar het pijn doet en ons – hun publiek – inspireren. Een vrijzone waar politieke, economische, sociale of esthetische druk en agenda’s buiten gehouden worden.’

(…)

‘Deze prijs verdedigt de kunstenaars en hun werk die dreigen te verstikken in een bourgeois en artificieel wereldje van glamour, geld, macht, namedropping, prestige, commercie, behaagzucht, compromissen, ziekelijk carrièrisme en ijdelheid. Het Disneyland van de artistieke 21ste eeuw.’

(…)

‘Hebben we onszelf niet te veel tot entertainers gereduceerd, die braaf de regels van managers, marketeers en boekhouders volgen in plaats van de stoorzenders en inspiratoren te blijven die we moeten zijn?’

Kijk, beste Frie, als het politieke Disneyland van de 21ste eeuw een naam moet krijgen, dan is het wel België, tot nader order geregeerd door een niet-verkozen staatshoofd, en blijvend getekend door een inferieure bestuurskwaliteit vol surrealistische gimmicks. Ik zeg niet dat het Vlaamse niveau momenteel zoveel beter is, ik ben de grootste criticus van deze door parmantige klerken bestierde deelstaat. Maar dat ‘stoorzenderschap’ waar je zo aan houdt, dat moet, als het behalve een artistieke dimensie ook een maatschappelijke dimensie krijgt, toch eerder neigen naar een 21ste-eeuws republikeins burgerschap en niet naar een 18de-eeuwse revérence van regimegetrouwe lakeien? Waarom artistieke rebelsheid losmaken van politiek-maatschappelijke vooruitstrevendheid? Waarom je voor de kar laten spannen van het pluchen universum van de majesteiten en de excellenties?

Of moeten we het onder de noemer van de ironie plaatsen? Neen, dat geloof ik niet, daarvoor klonk je speech te oprecht, en daarvoor ben je niet boosaardig genoeg. Dus denk ik echt dat het tijd wordt om die pruik af te zetten, en te doen wat je in je toespraak belooft: het ‘bourgeois en artificieel wereldje van glamour, geld, macht’ doorprikken. Niet alleen op het podium, maar ook daarbuiten. De Belgische monarchie is het verleden, durf de toekomst te omarmen.

Congo

Een ander voorbeeld van hoe een ‘progressieve’ intellectueel kan verdwalen in het Belgische labyrinth, is David van Reybrouck, auteur van de succesroman Congo (2010). Ook hier hebben we zonder twijfel te maken met een briljante persoonlijkheid die zich in dienst stelt van een in wezen conservatief project. In de essaybundel ‘Waar België voor staat: een toekomstvisie’, komt zowat iedereen aan het woord die de Vlaamse onafhankelijkheid met hand en tand bestrijdt, van journalist Marc Reynebeau, over politicoloog Kris Deschouwer, gewezen ACV-bons Luc Cortebeeck, tot historica Sophie de Schaepdrijver. België is en blijft het paradigma. Het idee dat Vlaanderen, in het spoor van de jonge Baltische republieken en de progressieve autonomisten van Catalonië tot Schotland, een nieuw verhaal zou kunnen schrijven dat ook Europa helemaal hertekent en cultureel heropbouwt, komt bij deze mensen niet op.

Hoever die bijziendheid kan gaan – en nu wordt het intellectueel genant – bewijst uitgerekend zijn Congoroman. Het boek werd bedolven onder de prijzen en de hoera-kreten. Maar al snel had Congokenner Ludo De Witte, auteur van De moord op Lumumba (1999), een opvallende regimevriendelijke toon vastgesteld in van Reybroucks opus magnum. ‘Bladzijden die de Belgische autoriteiten in een kwaad daglicht zouden kunnen plaatsen, lijken wel uit het boek gescheurd’, aldus De Witte.

Vooral de figuur van Patrice Lumumba, de man die Koning Boudewijn in zijn fameuze onafhankelijkheidsspeech van 30 juni 1960 de mantel uitveegde, waarna hij, minstens met medeweten van de Belgische regering en het Hof, werd geliquideerd, wordt aan revisionisme onderworpen. De revolutionair en autonomist Lumumba krijgt het etiket van een verwarde ‘opruier’ opgespeld, en zijn speech is een verzameling van ‘zielkundige zever’. Waarmee de auteur, behalve de Congolese ontvoogdingsstrijd, ook het Vlaams-nationalisme tot een zaak van domme, verwarde zeveraars lijkt te herleiden.

Moeilijk uit te maken of het hier om kwaadwilligheid gaat, literaire fantasie, dan wel om een geval van Vlaamse sluwheid en regimetrouw. Ik houd het bij het laatste: een vorm van Stockholmsyndroom, waarbij de gijzelaar met de gijzelnemer een innige band opbouwt, uit opportunisme én emotionele noodzaak.

Na de val van Antwerpen in 1585 is al wie bleef, en niet Noordwaarts vertrok, in overlevingsmodus gegaan, en dat blijft het Vlaams-Belgische cultuuruniversum tekenen. David van Reybrouck is nog geen baron, maar heeft alvast goede papieren. Progressief in woorden, maar daadwerkelijk conservatief. Het schier eeuwige verhaal van de Vlaamse underdog dus.

Ook Tom Lanoye, Stefan Hertmans en Erwin Mortier, de drie door Knack gesponsorde salonrebellen van de voorbije Antwerpse Boekenbeurs, verwarren hun linkse engagement hopeloos met een belgicistisch credo, waardoor ze compleet het Vlaams-republikeinse verhaal rateren. En waardoor ze exact bewerkstelligen wat ze aanklagen: een exclusieve claim op dat verhaal vanwege de rechterzijde.

Waardoor dan weer de afkeer van de Vlaamse grondstroom tegen de culturo’s blijft woekeren. Een complete patstelling. Het is uitkijken naar een nieuwe generatie die hem durft te doorbreken.

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: