Skip to content

Benjamin Netanyahu radicaliseert op zijn manier

18 januari 2015
by

Johan Sanctorum

Het was een hallucinante hoogmis van de hypocrisie, afgelopen zondag in de straten van Parijs. Bijna allemaal, van David Cameron over Viktor Orbán tot de Turkse premier Ahmet Davutoglu, hebben ze boter op hun hoofd als het op persvrijheid aan komt.

De eveneens aanwezige Israëlische premier Benjamin Netanyahu is echter nog een klasse apart. Al van op het vliegveld in Tel Aviv orakelde hij dat het antisemitisme wereldwijd om zich heen sloeg en dat de Europese Joden in Israël thuishoren. Zijn reisbestemming was niet de betoging voor de persvrijheid, maar het neerleggen van een krans en een gepeperde speech aan de Joodse supermarkt waar een gijzeling had plaats gegrepen. Alwaar opnieuw werd opgeroepen tot emigratie naar het Beloofde Land. Feit is dat vele aanwezige Franse Joden met de oproep van de Israëlische premier niet opgezet waren, en tot diens ergernis na afloop van de ceremonie de Marseillaise begonnen te zingen.

François Hollande had de bui voordien al zien hangen, en Netanyahu verzocht om toch maar thuis te blijven. Maar Bibi was niet te houden, en pas dan werd ook maar de Palestijnse president Mahmoud Abbas uitgenodigd, kwestie van de kerk wat in het midden te houden

Het spook van de Jodenhaat

Waarom klinkt die oproep van de Israëlische premier zo geforceerd en grotesk? Om te beginnen strookt ze niet met de diaspora-gedachte zelf, die nog ruim leeft onder de orthodoxe Joden. Volgens die gedachte is Israël niet het rechtmatige beloofde land en kan alleen de Messias de Joden daartoe begeleiden. Anderzijds lijkt de totaal gemilitariseerde staat Israël, waar vrijwel elk sociaal vangnet ontbreekt, in de verste verte niet op het bijbelse land van melk en honing. Het verlichte Europese Judaïsme herkent zich maar weinig in deze Spartaanse, cultuurloze oorlogsstaat. Er bestaat trouwens ook een remigratiestroom van teleurgestelde Joodse inwijkelingen die terugkeren naar Europa.

Ten derde kan men van Europees antisemitisme, zoals we dat in het verleden hebben gekend, nauwelijks of niet spreken, afgezien van enige neo-nazifolklore of het gekwetter van de nar Dieudonné. Wél is er natuurlijk het Islamextremisme, waarvan de aanslag op de supermarkt een voorbeeld was, maar dat is geïmporteerde, niet-autochtone Jodenhaat van fanatieke moslims die ons, Europeanen, nu net stoort en bewegingen inspireert zoals de Pegida in Duitsland.

Waarom Netanyahu dan toch weer dat spook van het antisemitisme oproept? Simpel: omdat hij als extreem-rechts politicus zelf voordeel heeft bij religieus-nationalistisch fanatisme en tot in Parijs een interne polarisatiecampagne voert. De geronselde migranten moeten, eens aangekomen in het Beloofde Land, vooral zijn Likoed-electoraat uitbreiden. Zij zijn ook de eerste kandidaten om de (volgens de internationale gemeenschap illegale) nederzettingen in Gaza, Jeruzalem en op de Westbank verder te bevolken.

Palestina is de pineut

Op die manier voedt Benjamin Netanyahu zelf de radicalisering, in zijn land en daarbuiten, en is elke moslimterreurdaad objectief koren op zijn molen De hoofdbedoeling achter deze angstvergrotende scherpslijperij is het verder verhinderen van het vredesproces dat had moeten uitmonden in een volwaardige Palestijnse staat. Door in Parijs het zionisme te gaan promoten, wordt het grote, Bijbelse Israël geherlegitimeerd en de politieke realiteit van de kaart geveegd.

Hoe meer terreur hoe liever, elke Hamas-raket die in Israël terecht komt bevestigt de groot-Israëlische claim. Maar tegelijk wordt elke legalistische poging van de Palestijnen om internationale erkenning te bekomen, stelselmatig afgestraft. Recent werd de aanvraag om lid te worden van het Internationaal Strafhof nog beantwoord met het blokkeren van door Israël geïnd belastinggeld. 80 miljoen Euro wordt niet uitgekeerd, Palestijns geld wel te verstaan, nodig voor het normaal functioneren van de overheid, onderwijs, ziekenhuizen, enzomeer. Dat deden ze ook al eens in 2011, toen de Palestijnen tot de UNESCO wilden toetreden. Een jaar later was het weer prijs, toen ze een aanvraag deden om door de Verenigde Naties erkend te worden. Niet braaf, geen geld.

Het dotatiesysteem wijst erop hoe leep Israël het gespeeld heeft in de onderhandelingen die leidden naar de zogenaamde vredesakkoorden van Oslo in 1993, en hoe de Palestijnen zich lieten naaien. De beloofde autonomie was voor veel later, de grendels echter verschenen meteen, onder de vorm van een min of meer permanente blokkade waarbij de gebieden vrijwel werden afgesloten van de buitenwereld (wat de zogenaamde ‘tunneleconomie’ met Egypte opleverde). Voor alle nutsvoorzieningen (water, elektriciteit…) bleven de Palestijnse gebieden aangewezen op toevoer vanuit Israël, inclusief dus ook willekeurige onderbrekingen. Douaneposten gingen onvoorspelbaar open en dicht,- een geslaagde tactiek om alles wat op een reguliere economie leek, te fnuiken.

Twee decennia later beseffen de Palestijnen, en eigenlijk heel de wereld, dat Israël de Oslo-akkoorden nooit gezien heeft als aanloop naar Palestijnse onafhankelijkheid, maar integendeel als constructie voor een permanente controle en overheersing van de territories. Om dat te kunnen blijven verrechtvaardigen, ook naar het groeiende protest van burgerrechtenbewegingen in Israël zelf, moet het spook van het mondiale antisemitisme steeds weer opgeroepen worden, en stellen Netanyahu en C° de globale war on terror formeel gelijk met de strijd om het voortbestaan en expansie van de staat Israël. Regelmatig wordt ook nog eens de herinnering aan de Holocaust bovengehaald, om alle critici de mond te snoeren.

Quid Vlaamse republikeinen?

In een eerder Doorbraak-artikel ‘Wie is bang van de PLO?’ wees Ludo Abicht er al op dat net het rabiate zionisme van Netanyahu en consoorten de Palestijnen heeft losgeweekt uit de invloedssfeer van de PLO (‘Palestijnse BevrijdingsOrganisatie’) die de oprichting van een seculiere democratische staat nastreeft, ten voordele van het extremistische Hamas dat veel dichter bij het moslimterrorisme aanleunt. Desondanks hebben de Palestijnen maar weinig op met fenomenen als de Islamitische Staat, getuige daarvan de satirische TV-programma’s en dito internetfilmpjes over deze barbarenhordes.

Het is in de eerste plaats aan autonomistische bewegingen in Europa, zoals de Vlaamse republikeinen, om de Palestijnse vrijheidsstrijd te steunen en de destructieve manoeuvres van de Israëlische haviken te veroordelen. Een onafhankelijk, vrij en democratisch Palestina is de beste dam tegen de oprukkende IS-terreur, en zal veel wind uit de zeilen nemen van zijn Europese variant en concurrenten, Al Qaeda inbegrepen.

De lauwe houding van een partij als de N-VA, die in november 2014 weigerde een resolutie in het federale parlement te ondertekenen voor een erkenning van de Palestijnse staat, vloeit voort uit tactisch-electorale bekommernis (stemmen halen bij de Antwerpse Joden), maar kenschetst ook een oud zeer in het conservatieve deel van de Vlaamse beweging, namelijk het idee dat Christenen en Joden tot dezelfde cultuurstam zouden behoren, met Israël als een lichtende baken.

Stop met die verwarring, en gun de Palestijnen wat de Vlamingen in België eisen, en andere volkeren in Europa of elders, namelijk autonomie. Het vredesproces moet terug een echt vredesproces worden, ook al heeft Benjamin Netanyahu daar een andere mening over. Onze belangen –en die van de beschaafde wereld- liggen elders.

Advertenties

Vrijheid is niet gratis, ze moet telkens opnieuw heroverd worden.

10 januari 2015
by
 Johan Sanctorum
Eren kunnen we de Charlie-Hebdo-cartoonisten pas door ons scherp te houden en zelf aan de politiek-correcte dictatuur te weerstaan.

Toen filmmaker Theo Van Gogh in 2004 door een moslimfanaticus werd vermoord, stond heel de weldenkende samenleving op stelten. Even snel spoelde de verontwaardiging weer weg met de waan van de dag. Bij mij is dat feit blijven nazinderen en heeft het mijn kijk op democratie en vrijemeningsuiting grondig dooreen geschud. Is vrijheid wel vrijblijvend, iets dat we onbeperkt en kwistig kunnen consumeren zoals de Mei ’68-golf dat voorhield, of is ze met risico’s verbonden en hangt er een prijskaartje aan? En.. is het misschien juist dat wat die vrijheid waardevol maakt en inhoud geeft?

Wolinski en de kont van zijn echtgenote

De executie van vier Charlie Hebdo-cartoonisten, redactieleden en nog acht andere mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren, stelt deze discussie opnieuw op scherp. Ongetwijfeld waren Cabu, Charb en Wolinski iconen van gedurfde journalistiek en compromisloos parler-vrai. Maar net daardoor waren ze ook provocateurs en tastten ze bewust en gewild de grenzen af van het politiek-correcte. Hun Mohammed-spotprenten waren niet zomaar ludieke bedenksels: het ging om zware risico-operaties in een politiek en sociocultureel klimaat waar zwijgen en wolligheid steeds meer de norm waren, en het katholieke pudeur van weleer vervangen was door de nog meer benepen dwang om vooral niet op zere (moslim)tenen te trappen. Het was dus vloeken in een maatschappij die door chantage werd en wordt gedomineerd, ondanks alle praatjes over democratie en vrijemeningsuiting.

Alleen in de kleutertuin is de vrijheid gratis en mogen de kinderen met kak op de muren schilderen. Daarbuiten moet ze afgedwongen, heroverd worden, steeds weer, door slechte karakters die er op een of andere manier genoegen in vinden (anders blijf je dat niet doen) om te vloeken in de kerk en de overtreding van het fatsoen tot norm stellen, hopend dat hun signaal niet verloren gaat in het genoeglijk ruis van het ‘publiek debat’ en de futiele meningendemocratie. Dus moet er met scherp geschoten worden en wordt men zelf ook een schietschijf.

Het is uiteraard veelbetekenend dat die strijd van de enkeling tegen de pensée unique focust op de islam, als totalitaire censuur-ideologie die zich in onze multiculturele zeepbel heeft genesteld. Cynisch zou men kunnen stellen dat Charlie Charlie niet zou geweest zijn zonder het moslimfanatisme, en dat hun pen misschien wel tekenen van roest zou vertoond hebben. Door tegenkracht worden pennen scherp en komt ook echte, compromisloze kwaliteit boven drijven.

Er loopt zo een lijn vanuit de Duivelsverzen (1988) van Salman Rushdie (vogelvrij verklaard  door de moslimwereld), Van Goghs film Submission (een titel die Michel Houellebecq nogal vlotjes overneemt in zijn nieuwste roman Soumission) van 2004, de eerste Mohammed-spotprenten van 2005 in de Deense krant Jyllands-Posten, tot aan de serie cartoons die de Charlie Hebdo-tekenaars uit hun mouw schudden.

Intellectuele gave, talent, maatschappelijk engagement en individueel temperament gaan hier hand in hand. Want bij elk van deze gevallen gaat het om mensen die existentieel op het punt van een soort doodsverachting gekomen waren: het opzoeken van de gevarenzone en het zoeken van de confrontatie, ook als persoonlijke opwinding en kick van het koorddansen zonder valnet. Dat wat de filosoof Friedrich Nietzsche ‘gefährlich leben’ noemde, en wat bij Martin Heidegger het ‘Sein zum Tode’ werd.

In die zin moeten ze als helden beschouwd worden, in de klassieke betekenis van het woord: individuen die het volle leven willen beamen, voor het maximum gaan (Sartre: ‘Soyons raisonnables, demandons l’impossible’), en op die manier hun dood tegemoet lopen.

Dat vereist een dosis straffe humor die nodig is om als cartoonist te functioneren, maar die zich ook in het gewon leven doorzet. Georges Wolinsky, een van de vermoorde Charlie-tekenaars, bedankte voor het Légion d’honneur dat de overheid hem wou toekennen (wat is immers de waarde van een door het bestel gelauwerde spotprenttekenaar?), maar anticipeerde ook op zijn dood met de grap die er uiteindelijk geen was: Ik heb tegen mijn vrouw gezegd dat ze de as in het toilet moet gooien. Zodat ik voor altijd haar billen kan zien.’

Wolinsky kreeg dus wat hij verdiende en verwierf het grootste ereteken: eeuwig uitzicht op de kont van zijn echtgenote. Het paradijsperspectief van de agnost.

Het is een beeld van de intellectueel zoals we dat vandaag haast niet meer kennen: een zelfmoordcommando, een ontdekkingsreiziger in het gevaarlijke, met mijnen bezaaide rijk van de vrijheid waar elk gebaar, elk woord het laatste kan zijn. En waarvan de humor niet alleen de retorische techniek uitmaakt, maar ook de conditie waarmee men zich vrolijk en gracieus doorheen dat mijnenveld beweegt. Humor als techniek én levenskunst. Tot de kalasjnikovs de grap tot zijn pointe voeren.

Ondertussen bij de media

En dan is er natuurlijk het gejammer en de borstklopperij van de journalistieke kaste. We zijn allemaal Charlie Hebdo’, toeteren Yves Desmet (De Morgen) en Karel Verhoeven (De Standaard) eendrachtig.

Elke pennenlikker, elke inktkoelie wil zich nu even snel identificeren met de gevierde en betreurde helden uit Parijs. Maar het komt op mij over als de Witte Brigade die bij ons enorm aanzwol toen de Duitsers verslagen waren. Het zijn hoger vernoemde en andere Vlaamse reguliere media, en niet te vergeten uiteraard de VRT, die zich altijd in het lauwe politiek-correcte sop hebben bewogen waar Wolinski en gezellen zich zo tegen afzetten.

Nooit werden de dingen benoemd, nooit werd het hard gespeeld, nooit voelde je ook maar in de geringste mate het intellectuele avonturierschap zoals hierboven beschreven. Zorgvuldig bewaakten en bewaken zij de politiek-correcte mainstream waarin wel het moslimterrorisme wordt veroordeeld, maar waar men nooit tot een duiding overgaat van de ideologische impact an sich. Nooit worden man en paard genoemd of wordt er een analyse ten gronde gemaakt van deze kloof tussen Europees Verlichtingsdenken en sluipend totalitarisme dat in naam van de multicultuur om zich heen grijpt. Zeer snel vervalt men weer in het slachtofferverhaal van de kansarme allochtoon die naar het geweer grijpt omdat hij niets om handen heeft.

Heel het Belgisch/Vlaamse mediawereldje mag overigens op beide oren slapen: weinig waarschijnlijk dat Yves Desmet, Bart Brinckman, Bart Sturtewagen of, godbetert, Peter Vandermeersch bezoek zouden krijgen een gewapende moslimbrigade. Brave seuten zijn het, die telkens warm en koud blazen als het over heikele punten als de islam en de democratie gaat. De Vlaamse pers sterft niet door de kogel, ze gaat dood aan saaiheid en wolligheid.

In dat opzicht klinken de hommages en de grote verklaringen ongelooflijk vals. Voor zover ik kon nagaan durfde niet één Vlaamse krant het aan om een van die straffe Mohammed-cartoons, die de inzet vormden van heel de massacre in Parijs, op haar voorpagina af te drukken. De Standaard toont zich weer van haar verzoenende kant: de krant drukt op haar voorpagina van eergisteren een tekening af waarin een moslim en een Charlie-cartoonist elkaar een tongkus geven. Dat was de reactie van het magazine zelf na de mislukte aanslag in 2011. Door deze parodie op de meligheid nu te afficheren als een soort aanbieden van de andere wang, tonen de Standaard-editorialisten dat ze de Charlie-humor eigenlijk niet snappen, maar proberen ze ook heel de maatschappelijke tegenstelling en het idee van een te-heroveren-vrijheid, te depolariseren tot een belachelijk gezelligheidstafereel, dat ik niet aarzel als een geval van dhimmitude te betitelen, onderwerpingsgedrag. Make love, not war, ook na Parijs 7/1. Schrik en door de marketinglogica geïnspireerd zekerheidsdenken spreekt uit die halfslachtigheid.

Niet dat dit een monopolie is van de Vlaams/Belgische pers. Associated Press, het grootste persbureau ter wereld, verwijdert alle Charlie Hebdo-covers waarop de profeet Mohammed is afgebeeld. Andere media, zoals New York Daily News en The Daily Telegraph, kiezen voor het blurren van de afbeeldingen. Lafheid troef.

Fundamenteler nog moet men zich vragen stellen bij de gesloten manier hoe die redacties met vrijemeningsuiting omgaan, en hoe de sluipende (zelf)censuur hun status van zogenaamde waakhond van de democratie helemaal heeft uitgehold. Ik haalde enkele weken geleden al aan hoe De Standaard systematisch opiniestukken weigert die niet passen in het politiek-correcte straatje. Er bestaat ondertussen al een kransje van uitverkoren refusés, waartoe ondergetekende zich mag rekenen, dat misschien teveel de Charlie-attitude genegen is en te weinig de Vlaams/Belgische compromisgedachte. Meer en meer versmalt de democratie tot een consensusdemocratie die in feite een omfloerste dictatuur is, omhangen met meningen die niemand verontrusten.

Zo worden deze media medeplichtig aan het smoren van wat ze vandaag met veel poeha beweren te verdedigen. Denk vooral niet dat de dood van de vier cartoonisten deze politiek-correcte waan zal doorbreken. Integendeel, nu al lees ik commentaren in diezelfde kranten dat men zich vooral moet hoeden om te ‘polariseren’, dat ‘achterstelling en uitsluiting de oorzaak zijn’ (Karel Verhoeven, De Standaard 8 januari 2014), dus niet de islam-ideologie zelf die niet-moslims als een lagere diersoort beschouwt, en dat we vooral ‘verbondenheid en warmte’ moeten zoeken (Yves Desmet, De Morgen 8 januari 2014).

Oorlog en vrede

Sorry, maar met deze pastoorspraat komen we er niet. ‘L’amour plus fort que la haine’, ga dat maar eens preken in de middens waar de grote islamitische wereldrevolutie wordt voorbereid, in de Islamitische Staat, maar ook in onze door de overheid gefinancierde én door imams uit Saudi-Arabië beheerde moskeeën.

Scherpe pennen gevraagd dus. Waarbij het dan nog de kwestie is, of pennen zullen blijven volstaan wanneer de Kalasjnikovs knallen. Want laten we wel wezen: het begin van de 21ste eeuw zal door historici ooit aangeduid worden als het ontbrandingsmoment van een derde wereldoorlog. Een oorlog zonder loopgraven zoals de eerste die had, en zelfs zonder duidelijke militaire logica of tactiek zoals de tweede die nog bezigde. Daarom bakken de VS er ook niets van in Irak of Afghanistan: militair leven ze nog in de vorige eeuw. De oorlog die we vandaag meemaken is een Totalkrieg zonder onderscheid van krijgspersoneel of burgers. Iedereen kan slachtoffer zijn, het gevaar loert overal. Via de islamreligie als ideologische munitie wordt onze Westerse cultuur met de grootste uitdaging uit haar geschiedenis geconfronteerd. Neutraliteit of ontkenningsattitudes vormen niet langer een optie. Iedereen is gedoemd om kleur te bekennen. Beweren dat er geen probleem is, is partij kiezen voor de agressor en de weerstand proberen te breken.

Dat geeft een bepaalde opluchting, eindelijk trekt de mist op. Na de bloemen en de kransen, de krokodillentranen en de hulderedes, de papieren heiligverklaringen en het mediagedaas, moeten we hopen dat de dood van Cabu, Charb en Wolinski een schokreactie zal veroorzaken en mensen zal wakker schudden. Vooral met het oog op een mondigwording, een kritisch zelfbewustzijn dat zich niet meer door de overheid of de media laat betuttelen of politiek-correct reguleren. De scherpe kantjes moeten er niet af, ze moeten net aangescherpt worden. Laat liefde zegevieren, inderdaad: liefde voor de vrijheid en liefde voor het leven, zodanig dat de doodsangst de levenslust niet langer bederft.

De vrijheid is niet gratis, ze moet telkens heroverd worden, zoals de vrede zelf. En laat ons dat wel een oorlog waard zijn.

Spreekt God doorheen het KVHV?

3 januari 2015
by

Johan Sanctorum

Zopas pleitte de Antwerpse bisschop Johan Bonny voor een kerkelijke erkenning van holebirelaties. ‘We moeten binnen de kerk zoeken naar een formele erkenning van de relationaliteit die ook bij veel holebikoppels aanwezig is. Zoals er ook in de samenleving een diversiteit aan legale kaders bestaat voor partners, moet er in de kerk een diversiteit aan erkenningsvormen komen’, aldus Bonny, die in Rome bekend staat als een progressieve prelaat en naar verluidt goed kan opschieten met de eveneens hervormingsgezinde paus Franciscus.

Voor niet-gelovigen is dit een wat abstract ver-van-ons-bed onderwerp, een louter binnenkerkelijke aangelegenheid. Hoeveel homo’s en lesbiennes zouden vandaag eigenlijk wakker liggen van de vraag of ze volgens de katholieke leer seks mogen hebben?

Zelfs binnen die geloofsgemeenschap was er opmerkelijk weinig commotie rond de uitspraak van Bonny,- het leek bijna een consensusverklaring. Maar dat was zonder het Katholiek Vlaams HoogstudentenVerbond gerekend. Volgens deze studentenvereniging overschreed de bisschop daarmee een grens. Ze presenteren hun bezwaar als een syllogisme.

Bij wijze van premis stellen ze dat ‘elke mens geroepen is door God om lid te worden van de Katholieke Kerk’. Dat is een straffe uitspraak die vele christelijke theologen zelfs niet meer in de mond durven nemen. Alsof God per definitie naar wierook ruikt en met wijwater kwispelt. Maar de toon is gezet.

Vervolgens luidt het dat diezelfde God (in wiens naam zonder problemen verder wordt gesproken) seksualiteit uitsluitend ziet als middel tot voortplanting, en wel binnen het hetero-huwelijk. Geringd mannetje erop, vrouwtje moet maar de ogen dichtdoen en aan Vlaanderen denken, op hoop van kinderzegen.

Bij wijze van orgelpunt gaan de gelegenheidstheologen tenslotte voluit door elke seksuele handeling buiten dat huwelijk als ‘zondig’ te betitelen. Ook daarin overtreffen ze de gemiddelde fatsoensnorm anno 2014, en klinkt een en ander als een imam-uitspraak. Niet zonder ondertoon van hypocrisie echter. Ik zou ze de kost niet willen geven, al die katholieke hoogstudenten die na een hitsige cantusnacht wakker worden naast een hoogstudentin, zonder de zegen van de Heilige Kerk.

Vader en zoon

De KVHV-uitval tegen bisschop Bonny gaat dus wellicht niet over Gods visie op de menselijke seksualiteit, maar moet als een politieke uitspraak gelezen worden, waarbij men niet naast de figuur van de Antwerpse praeses kan kijken, in casu Wouter Jambon, zoon van.

Het is uiteraard niet de bedoeling om het traject van vaders en zonen op één hoopje te gooien. Maar hier zitten we toch wel in een specifieke context van een politiek familiebedrijf en het klaarstomen van een erfgenaam die gegarandeerd carrière zal maken binnen de Nieuw-Vlaamse Alliantie. Praeses Wouter verkondigt standpunten die perfect sporen met die van vader Jan, zie zijn recent pleidooi voor de verhoging van het universitaire inschrijvingsgeld en het nut van ‘een zekere elitevorming’.

De verwevenheid van het KVHV met de N-VA is een historisch gegeven (zowat heel de huidige partijtop, van Theo Francken, over Steven Vandeput, Jan Jambon, Bart De Wever, tot Liesbeth Homans, was lid), maar wordt dus ook weerspiegeld in het huidige bestuur. De vervanger van Wouter Jambon, Michaël Hoffman, is N-VA bestuurslid van Brasschaat waar vader Jambon ook nog burgemeester is. Teveel om toeval te zijn: het KVHV is de kweekvijver van de nieuwe partij-elite. In feite is deze studentenorganisatie een essentiële leverancier voor de volgende generatie van N-VA- gezinde politici, kaderleden, topfuncties in de overheid, tot en met de onderwijs- en cultuursector. Daarmee stelt de partij haar macht op de verschillende bestuursniveaus maar ook in het maatschappelijke middenveld op langere termijn veilig.

Jan JambonJan Jambon, N-VA-coryfee en ondertussen Belgisch minister van binnenlandse zaken, staat bekend als dé bezieler van het economisch-rechtse verhaal dat zijn partij nu op Vlaams en federaal niveau doorduwt. Via dit proces evolueerde de republikeinse partij tot een neoliberale hardliner die de Open-VLD ei-zo-na van de kaart speelt, en die tegelijk steeds meer inzet op het behoud van de Belgische constructie, uiteraard gesaneerd op maat van het bedrijfsleven en de gekende VOKA-recepten.

Dat leidt tot spanningen aan de basis maar voorlopig niet tot schisma’s: een strenge partijdiscipline, de belofte op een latere staatshervorming, en het mandateren van een paar excuusflaminganten zoals Peter de Roover, houdt de rangen gesloten.

Terug naar de grondstroom

Blijft dan de vraag waarom het KVHV katholieker dan de paus wilde zijn en zo nodig een progressieve bisschop moest afbranden. Het antwoord is simpel: een partij die 33% haalt blijft niet overeind met een verhaal van besparingen alleen.

De economisch-rechtse lijn is via Jambon en C° de dominante partijlijn geworden, zie hoger. Voor een echte machtspartij echter is die neoliberale doctrine een te smalle basis. Ze trekt libertairen aan die voor dissidente stoorzender spelen. Ze creëert onrust door de besparingspolitiek en de sociale afbraak. En, in het geval van de N-VA is er dan nog de flamingante achterban die ongeduldig wordt.

‘De verwachting is dat de N-VA zal doorgaan met die morele scherpslijperij en het stigmatiseren van progressieve figuren, om de aandacht van de besparingspolitiek af te leiden.’

Net om die reden is een uitwijk naar ethisch-rechtse vluchtheuvels onvermijdelijk: een discours van waarden en tradities moet de partij herenigen met de zogenaamde ‘Vlaamse grondstroom’, een volstrekt mythisch concept dat door de media klakkeloos wordt overgenomen en dat de N-VA telkens weer a priori legitimeert als brede volkspartij. Het gaat dan niet meer over centen en procenten, maar over veel minder materiële kwesties als verbondenheid, traditie, trouw, respect, met God als ultieme joker.

Het Bonny-incidentje was dus maar een proefballon voor de partij om via een door haar gecontroleerde studentenclub te zien hoever ze hier kon gaan en op hoeveel tegenstand ze stuit. Haast nihil dus, behalve een oprisping van de Antwerpse jongsocialisten die tactisch dan nog net deden wat ze vooral niet moesten doen: verongelijkt linkserig neuzelen en een klacht indienen bij het Gelijkekansencentrum, in plaats van echt in debat te gaan.

Signaal op groen dus. De verwachting is dat de partij van De Wever zal doorgaan met die morele scherpslijperij en het stigmatiseren van progressieve figuren, om de aandacht van de besparingspolitiek af te leiden. Het katholieke fundamentalisme, als spiegelbeeld van het moslimfundamentalisme, zou dan wel eens veel aanhang kunnen krijgen. Fabiola juicht in de hemel en stuurt fijne charismatische wolkjes naar Vlaanderen. Niet dat alle Vlamingen er ineens een knoop in gaan leggen en ‘zondige’ seks gaan mijden, maar het creëert vastigheid in woelige tijden en het schept een traditionalistisch, oer-Vlaams fatsoenskader dat de kudde samenhoudt.

Het via de KVHV-fatwa gepromote klimaat van homofobie, -want dat is het in feite-, staat haaks op elk Verlichtingsdenken en vertoont fundamentalistische trekjes. Ze crëert nuttige vijandbeelden, moeit zich met het privé-leven van mensen en demoniseert marginaliteit: allemaal hoogst bedenkelijke processen die helemaal niet goed zijn voor de democratie.

Het verdriet van Vlaanderen

FotoEerlijk gezegd, als ik die Wouter Jambon goed bekijk, eigenlijk nog een broekje, denk ik niet dat er veel kwade, misschien zelfs überhaupt geen gedachten in huizen. Zijn studentennaam is Murk en volgens zijn KVHV-curriculum houdt hij zich vooral bezig met ‘drinken en anderen leren drinken’. Praeses-ad-interim Michaël Hoffmann is gebuisd in Leuven wegens te diep in het glas gekeken, zo leren we, en verkaste naar Antwerpen waar hij een grote aanwinst bleek: ‘Niet al te groot maar wel een drinker van formaat’, aldus de KVHV-webstek. Een vrij eentonig verhaal van deze jonge elite. Misschien was die goddelijke buiksprekerij toch gewoon een grap, in de vroege uurtjes neergeschreven op een bierviltje.

Maar de timing blijft merkwaardig: vermoedelijk zijn de N-VA-strategen inderdaad op zoek naar een nieuw verhaal, nu de staatshervorming in de koelkast belandde en de nadelen van het neoliberale beleid zich doen gevoelen, ook bij de middenklasse. Een ethisch réveil zou dan uitkomst kunnen bieden: arm maar vroom zullen wij zijn, verenigd in het rijke Roomse leven.

Afgezien van het studentikoze aspect is de KVHV-oprisping toch wat benauwelijk. Want deze verkwezeling voert ons terug naar de akelige jaren ’50 en de vroege sixties van vorige eeuw. Een periode die we kennen vanuit zwart-wit beelden, de boeken van Hugo Claus en de monsterscores van de CVP. Het pre-’68-tijdvak waarin de economische opgang van Vlaanderen niet gepaard ging met een intellectuele bevrijding, maar integendeel onder de stolp werd geplaatst van kleinburgerlijke kneuterigheid en traditionalisme.

Eens deze ethische bocht naar rechts gemaakt, komt dan de finale aap uit de mouw: een heropleving van het autoritaire gedachtegoed en de hang naar een sterke leidersfiguur die de ‘grondstroom’, de polsslag van het Volksempfinden, heel goed aanvoelt. In zo’n scenario kunnen we dan afglijden naar een regime à la Poetin in Rusland en Erdogan in Turkije. Rechtse populisten die, allicht niet toevallig, zich ethisch zeer conservatief opstellen én over een stevig politie-apparaat beschikken om opposanten willekeurig te arresteren. Ze zijn autoritair, mediageniek, beroepen zich op traditie en soms zelfs op religieuze waarheden, zie de manier hoe Erdogan de moslimfundamentalisten opvrijt en Poetin de Orthodoxe Kerk recupereert.

Het is een doemscenario en hopelijk blijft het bij een scenario. Toch is de reactie tegen de conservatieve grondstroom, als mythe en self-fulfilling prophecy, ondermaats. De intellectuele verkneutering van Vlaanderen, waarin een religieuze politie zich zowaar gaat bemoeien met onze bedgewoontes, vraagt om een krachtig, zelfbewust en vooral niet-krampachtig tegengebaar. Liefst vanuit de Vlaamse beweging zelf.

Algemeen basisloon: lachwekkend of revolutionair?

28 december 2014
by
 Johan Sanctorum
Stel dat u het groot lot van Win for Life zou winnen: levenslang elke maand 2000 Euro op de rekening. Champagne. Maar zou u de rest van uw tijd in Gran Canaria doorbrengen aan een zwembad?

Even wel, maar niet te lang: een mens is niet gemaakt om te luieren. U zou op de duur toch terug aan de slag gaan, maar dan om een droom te realiseren of werk te kiezen dat u echt ligt. U zou wellicht zelfs veel harder werken dan voorheen. Dat is zowat de filosofie van het algemeen basisinkomen. Een Panoramareportage van 18 december vlooide het uit en liet een aantal verdedigers en critici aan het woord.

Kort komt het erop neer dat elke burger vanaf 18 jaar een basisinkomen krijgt van pakweg 1500 Euro (voor elk minderjarig kind 200 Euro er bovenop), of die nu werkt of niet. Noem het maar een algemeen leefloon. Het klassieke uitkeringsstelsel (pensioenen, kinderbijslag, werkloosheidsvergoeding,…) zou verdwijnen. Wil je toch werken,- want daar rekent het systeem natuurlijk op,- dan heb je natuurlijk een hoger inkomen, weliswaar stevig belast.

In een verloren gat in de Nambische woestijn is het naar ’t schijnt al eens met succes uitgeprobeerd en ontstond er zowaar een florerende micro-economie binnen communeverband. Maar nu wordt het idee in 2016 ook in Zwitserland, hét hart van het Westerse kapitalisme, de inzet van een referendum.

Eén ding is zeker,- de crisis is er niet vreemd aan: het thema leeft ook bij ons enorm. Vreemd genoeg niet in de politieke wereld, noch bij de regeringspartijen (uiteraard niet) noch bij de oppositie. Wel in de sociale media en alle mogelijk discussiefora op het internet. Veeg teken dat de politiek helemaal niet meer op de golflengte van de burger zit, maar vooral met zichzelf bezig is.

Onthaasting

De achterliggende filosofie van heel het idee is niet eens strikt economisch maar wel existentieel. We worden geleefd, consumeren en status hoog houden is de boodschap. Heel het carrièregebeuren lijkt op een genadeloze afvallingskoers. Depressies en burn-outs zijn schering en inslag. België is een trieste koploper wat betreft het gebruik van anti-depressiva en zelfmoorden. De gezondheidskost is enorm. Wie een job heeft, vecht om hem te houden, wie er geen heeft, raakt op de sukkel en drijft af richting OCMW. Eigenlijk is iedereen ongelukkig, behalve de happy few, en dan nog. Daar moet een model van onthaasting en ontmaterialisering tegenover geplaatst worden: opnieuw ruimte voor levenskwaliteit, duurzame ontwikkeling, meer harmonie in de driehoek werk-gezin-vrije tijd. Het basisloon ontlast ons van de dwang om te werken en schenkt ons het recht en het plezier om te werken. Een wereld van verschil.

Opmerking: dit model betekent niet het einde van sociale ongelijkheid. Integendeel: de ongelijkheid moet het systeem financieren. Het basisloon op zich is belastingvrij, het is met wat u en ik er boven op verdienen dat er fiscale inkomsten gegenereerd worden. Verder voorziet het systeem vooral een belasting op consumptie (gemiddeld 25%: basisproducten minder, luxegoederen meer) en op vermogen/meerwaarde. Dat betekent dus allemaal wel dat voldoende mensen zo gek moeten zijn om hard te werken, veel te verdienen, en een groot deel weer af te geven. Dat kan alleen, en daar zijn we weer bij de achillespees, als dat werk echt aantrekkelijk is en zelfs een behoefte op zich wordt. En als er voldoende natuurlijke solidariteit kan opgebracht worden voor deze herverdeling.

Tweede vaststelling: het model elimineert niet de armoede als dusdanig. Er zullen namelijk altijd mensen zijn die vanaf dag één hun maanduitkering verspillen of vergokken. Wat met hen aanvangen? In de goot laten liggen tot de volgende maand? Toch een vangnet? Onlangs bleek uit een studie dat een kwart van onze eersteklassevoetballers, met een gemiddeld netto-maandinkomen van 8.670 Euro, jawel, niet rond komt. Oorzaak: spilzucht, gokken, geld beleggen in dubieuze investeringen. Daar komt dus een portie (her-) opvoeding bij kijken. Waarbij de grijze zone die dit soort ‘slechte huisvaders’ aantrekt, bijna onvermijdelijk is. Het leven zoals het is.

Empowerment

Anders gezegd: het basisloon is geen binnenweg naar het paradijs, er zal net zo goed marginaliteit en criminaliteit bestaan als vandaag. Moeten we daarom treuren? Neen, want anders komen we uit in een Noord-Koreaans model waar een aantal zaken verplicht zijn en de rest verboden. Er moet dus het recht zijn op mislukken, het gaat met vallen en opstaan.

Toch is de pedagogische dimensie van het model een enorme uitdaging: door mensen een maandelijks rugzakje mee te geven, waar ze hun plan mee moeten trekken, ontstaat er een dynamiek van zelfwerkzaamheid, de zin om het lot in eigen handen te nemen, een zaakje op te starten… dat wat men tegenwoordig empowerment noemt.

Heel de zogenaamde onderkant van de samenleving, door mensen als Theodore Dalrymple geringschattend weggezet als het onproductieve restafval dat zijn ongeluk alleen aan zichzelf te danken heeft, wordt geactiveerd tot een stuk middenklasse waar ideeën opborrelen, economische of culturele projecten het licht zien, en spontane netwerken ontstaan.

Politiek-maatschappelijk is dat niet vrijblijvend. Doordat de dwang wegvalt om een job te vinden voor het strikte levensonderhoud, ontstaat er een beter evenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Industriële processen zullen overigens in grote mate geautomatiseerd worden, het bandwerk en de routineklussen verdwijnen. Menselijk kapitaal, talent, en clusters van talent bewegen zich autonoom en flexibel binnen een economie die levenskwaliteit doet primeren op winst en groei-om-de-groei.

Het institutionele middenveld (partijen, vakbonden, allerlei met de overheid verstrengelde belangenorganisaties) verdwijnt ten voordele van ad hoc burgerinitiatieven.

Een sterk afgeslankte staat blijft op de achtergrond, als regulator, boekhouder, beheerder van de infrastructuur. Maar het zwaartepunt van de democratie verschuift naar onder, bij de basis, de autonome leefgemeenschappen, comités, buurten, wijken, kantons. Een stelsel van bindende referenda naar Zwitsers model staat borg voor evolutie en gedragen vernieuwing.

Koudwatervrees

Utopie? Ach, het vrouwenstemrecht en de betaalde vakantie werden ook ooit weggelachen. Maar anders dan deze sociale correcties, vormt het algemeen basisloon de hoeksteen én motor van de diepgaande maatschappelijke hervorming die we zo hard nodig hebben. Iedereen is het beu maar niemand weet waar het heen moet. Dit is tenminste een concrete piste, een perspectief dat droom en durf koppelt aan cijferwerk.

Waar de fameuze Panorama-reportage wel angstvallig om heen draait, is de vraag naar de haalbaarheid van het model binnen de Belgische constructie, een inefficiënt en mentale energieverslindend waterhoofd met een half dozijn regeringen en evenveel parlementen, en zonder culturele of taalkundige cohesie. Het idee van ontvetting van het staatsapparaat en van het overheidsestablishment leidt nochtans vanzelf naar de ontbinding van de Belgische constructie, vermits de becijfering van het model in aanzienlijke mate berust op een bestuurlijke vereenvoudiging. Geen van de pleitbezorgers (filosoof Philippe Van Parijs, ex-Vivant-bezieler Roland Duchâtelet, Piratenpartij-woordvoerster Sarah Van Liefferinge) durfde het aan om op deze consequentie te wijzen.

Net omdat het basisloon-idee, en alles wat daar rond hangt, in hoge mate uitgaat van sociale cohesie en burgerzin, is collectieve identiteitsbeleving essentieel. Daarbij komt dan nog het voordeel van de schaalverkleining die het idee van basisdemocratie veel dichter benadert. Kortom: een Vlaamse republiek is een veel meer haalbare kaart om die grote maatschappelijke omwenteling te organiseren dan een Belgische constitutionele monarchie naar 19de eeuws model waar alles draait rond compromissen tussen gemeenschappen, partijen, zuilen en belangengroepen.

Het is eigenlijk vreemd dat die zogenaamde progressieve denkers het republikeinse moment rateren: een koudwatervrees die hun draagvlak en geloofwaardigheid aanzienlijk verkleint. Waardoor hun model juist weer utopisch en virtueel wordt, een natte droom, geen project. Het neo-marxisme van Philippe Van Parijs is overigens al even gedateerd als de neoliberale ideologie die vandaag de wet dicteert. Er valt dus nog wel wat fris, onthecht denkwerk te plegen.

Ondertussen zitten we in Vlaanderen met een armoedepercentage van 12%. Ook de lagere middenklasse heeft nu de OCMW-drempel genomen en de voedselbanken ontdekt.

Eerder dan aan 19de eeuwse liefdadigheid te doen zoals Liesbeth Homans (N-VA) met haar 1 euro-gaarkeukens, is nu het moment gekomen om in Vlaanderen het debat rond het basisloon aan te zwengelen, als aanloop naar een herdenken van onze samenleving en het radicaal durven poneren van de geluksvraag. Ook de taboe’s rond migratie en open grenzen zullen moeten sneuvelen, wat Europa er ook van denkt: men kan geen filosofie van het basisinkomen en een sterke herverdeling ontwikkelen als de draagkracht daarvan ondermijnd wordt door ongebreideld uitkeringstoerisme. Ook daarin wijzen de Zwitsers de weg.

Benieuwd of uit dit debat ook politieke krachten kunnen geboren worden die deze republikeins-progressieve durf uitstralen en de gemiddelde Vlaming weten te verleiden.

De Taliban, verdwaalde restant van de Koude Oorlog

21 december 2014
by

Johan Sanctorum

Waarom het bloedbad van Peshawar tot enkele ongemakkelijke bedenkingen leidt over de historische rol van de VS en Pakistan.

Te walgelijk voor woorden, dat is onze eerste bedenking bij de executie door de Pakistaanse Taliban van 132 kinderen in een school nabij Peshawar, terwijl er ‘Allah is groot!’ werd gescandeerd. De naam Taliban schijnt zoiets te betekenen als ‘theologiestudenten’: wat moet men zich voorstellen bij een godsdienst die dit soort leerlingen voortbrengt en in de 21ste eeuw tot dit soort acties inspireert. Benieuwd weerom hoe snel en hoe radicaal de moslimgemeenschappen in de beschaafde wereld hiervan afstand zullen nemen, want voorlopig is het weer zeer stil in die hoek. Alsof men meer de perceptieschade betreurt dan de 132 kinderlijken. Of erger, horresco referens: alsof er zelfs heimelijk gesympathiseerd wordt met deze strijders van de goede zaak.

Dat mag ons allemaal niet beletten om een en ander in een historisch perspectief te plaatsen, en uit te vlooien waar die godvruchtige Taliban eigenlijk vandaan komt. Een korte terugblik.

Van ‘freedom fighters’ tot terroristen

Afghanistan is een land dat geografisch en etnisch niet centraal te besturen valt. ‘Onherbergzaam’ is de naam die wij klassiek gebruiken voor zo’n droge steenwoestijn, heet in de zomer, ijskoud in de winter. Krijgsheren maken er traditioneel de dienst uit en liggen voortdurend met elkaar overhoop: stamoorlogen zijn de enige echte nationale sport. Eén economische sector floreert van oudsher: de kweek en handel van opium.

In de 19de eeuw raakte deze negorij in de Britse invloedssfeer, zonder dat de Engelsen er een echte beschaafd gewest van konden maken waar men thee drinkt en cricket speelt, zoals in Indië. Neen, de Afghanen bleven de ongenode gasten de rug toekeren, vochten op feestjes om een geitenkarkas, en bestreden tussendoor ook elkaar. Dat zou niet anders zijn met de Russische bezetting, we zijn dan al 1979, in volle Koude Oorlog. De toenmalige Sovjetleider Leonid Breznjew besliste het land binnen te vallen, na een mislukte politiek van Moskougezinde stromannen. Rusland heeft nu eenmaal graag volgzame satellieten aan zijn grenzen, dat is de hoeksteen van een defensieve strategie.

De Russen maakten echter dezelfde fout als de Britten: ze dachten de Afghanen te kunnen beschaven en transformeren tot met hamer en sikkel getooide bewoners van de Marxistische heilstaat. De geitenhoeders en kamelendrijvers lustten er geen pap van en bleven verknocht aan hun eeuwenoude ongeschreven, maar door de Koran gewettigde gebruiken. De grote steun aan het anti-Sovjet-verzet kwam echter van buitenaf, en wel van een andere grote broer die verder weg lag: de Verenigde Staten.

Onder invloed van zijn radicale adviseur Zbigniew Brzeziński, die een grootscheeps Russisch offensief richting Perzische Golf meende te ontwaren, ging president Jimmy Carter de Afghaanse moslimrebellen – die het koosnaampje ‘Freedom Fighters’ kregen – militair ondersteunen. Lokaal werden ze Moedjahedien genoemd, waaruit de latere Taliban zou ontstaan. Om de Amerikaanse betrokkenheid te verhullen gebeurde die steun via omwegen: de CIA kocht in alle uithoeken van de wereld Sovjet- en Oostblokwapens (!) op en leverde die aan de opstandelingen.

Pakistan nam in deze strategie met verve de rol op van regionaal steunpunt. Het werd daarin ruim gedragen door de met de rebellen sympathiserende moslimbevolking, maar het leverde het land ook militaire VS-steun op in zijn wedijver met oervijand India. De Taliban kregen in Pakistan hun guerilla-opleiding en leerden daar de Amerikaanse hightechwapens bedienen. Tegelijk werd het religieus radicalisme gepromoot, als een belangrijke mentale stimulans die maakte dat men een krijger werkelijk alles kon vragen tot en met een zelfmoordactie. Bewust gebruikte Washington de Koranscholen en hun ‘theologiestudenten’ als anti-Sovjet-wapen, nog niet beseffende welke doos van Pandora men daarmee had geopend.

Na de Russische terugtrekking viel het land ten prooi aan een complete chaos, waarin de Taliban uiteindelijk triomfeerden en als een stuurloos geworden projectiel om zich heen sloegen.  De inval in 2001 van een door de VS geleide NAVO-legermacht bezorgde hen tenslotte een nieuwe vijand op het terrein waarop ze onklopbaar waren. Pakistan bleef de vluchtheuvel van die fanatieke groupuscules. Op 2 mei 2011 liquideerden Amerikaanse elitetroepen er Osama Bin Laden, het brein achter de aanslag op de Twin Towers. Een puur symbolische overwinning: Al Qaida was al lang uitgezaaid naar Irak en omstreken, de Islamitische Staat stond in de steigers.

Europa en de NAVO

Zo groeide een verdwaalde restant van de koude oorlog uit tot een planetaire splijtbom. De historische verantwoordelijkheid van de VS is hier enorm. Washington blijkt in de jaren ‘80 een politiek-religieuze stroming in het leven geroepen te hebben, die twintig jaar later verantwoordelijk zou zijn voor de grootste en bloedigste terroristische aanslag op Amerikaans grondgebied, ‘9/11’. Het zegt iets over het intellectueel niveau en het kortetermijndenken dat domineert in het Pentagon en het Witte Huis. We hebben hier te maken met klungelende presidenten, van Carter tot George Bush Jr., varend op een populistisch-paranoide veiligheidsdoctrine (war on terror), mondiaal bemoeizuchtig, met slechte raadgevers en een geheime dienst die opereert als een staat-in-de-staat, zie ook de huidige afluisterschandalen. Met zo’n bondgenoten heb je geen vijanden nodig.

Minstens even hachelijk is de morele vraag die Pakistan zichzelf moet stellen: in hoeverre heeft het land zelf deze adder niet aan zijn borst gekoesterd, die het bloedbad van Peshawar zou veroorzaken?  De prijs voor deelname aan het wereldwijde geostratego van de grootmachten is hoog, te hoog. Men zou zich kunnen afvragen hoe onze wereld er zou uitgezien hebben zonder de inval van de Sovjet-Unie in Afganistan en zonder het tegenoffensief van de VS, zonder de met valse voorwendsels goedgeprate invasie van Irak.  Zouden Bin Laden en Al Qaida groot geworden zijn? Zou 11 september 2001 plaats gevonden hebben? Vermoedelijk niet. Zouden we nu met een radicaliseringsprobleem zitten in onze steden? Ik betwijfel het. Zouden de 132 Pakistaanse schoolkinderen nog leven? Allicht wel.

De ultieme les van de Peshawar-tragedie zou voor ons, Europeanen, kunnen gelegen zijn in een kritische herziening van het NAVO-bondgenootschap. De Pentagon-logica is de onze niet. Wij hoeven de brokken niet op te ruimen die door Amerika worden gemaakt. En als het over democratie en mensenrechten gaat: de VS zouden misschien toch beter eerst voor eigen deur vegen, gelet op de lamentabele rechtspositie van hun gekleurde staatsburgers. Er vallen overigens per jaar meer doden door de kogel in het vrije Amerika dan in het achterlijke Afghanistan.

De idee alleen al dat de CIA ook vandaag compleet onder de waterlijn wereldwijd allerlei schimmige constructies opzet, zogezegd in naam van vrijheid en democratie, moet ons tot de grootste argwaan nopen. Een onafhankelijk Vlaanderen zou hier de status van de Belgische NAVO-vazal kunnen overstijgen en een koers van neutraliteit,- ik spreek liever van ongebondenheid,- aanhouden. Het absoluut vermijden van geïmporteerde conflicten hoort daarbij, evenals het verwijderen van alle gevaarlijke rommel die hier niet thuis hoort.

Dat doet er me aan denken: al meer dan vijftig jaar liggen er kernbommen op de luchtmachtbasis van Kleine Brogel, die minstens tien keer de kracht van de atoombom op Hiroshima hebben. Officieel mogen we zelfs niet weten dat ze er liggen, hoewel de VS onlangs hebben aangedrongen om ze te ‘moderniseren’. Vanuit welk strategisch oogpunt is onbekend, tenzij de Amerikaanse wapenindustrie een zetje in de rug nodig heeft.

Nogmaals: dat maakt onze belangen niet uit. De nieuwe Europese republieken moeten zich durven afkeren van het Amerikaans militair dictaat. Een onderling bondgenootschap, gebaseerd op intelligente diplomatie, wordt dan een reële optie. Voor de Koude Oorlog weer een hete wordt.

De EU en de Karolingische grootheidswaanzin

17 december 2014

Johan Sanctorum

Weldra luiden we het jaar 2014 uit, waarin het begin van de 1ste wereldoorlog werd herdacht. Een mondiaal conflict dat zijn versnelling kreeg vanuit de oerrivaliteit tussen twee tot de tanden bewapende Europese grootmachten: Duitsland en Frankrijk.

VerdragVerdun Om die rivaliteit historisch te duiden, moeten we terug naar het verdrag van Verdun (843), dat het Heilige Roomse Rijk van Karel de Grote, na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome, in drie stukken opdeelde: Lodewijk de Duitser kreeg Oost-Francië (geel: het latere Duitsland), Karel de Kale West-Francië (rose: dat zou Frankrijk worden), en Lotharius het middenrijk Lotharingen (groen, waarin onze gebieden vallen).

Deze drie erfdelen bakenden geen ‘organische’ volksgemeenschappen af, maar waren prototypes van de moderne natiestaat die op onderhandelingstafels vorm krijgt. Sinds die deling ook zouden West- en Oost-Francië nooit iets anders doen dan elkaar de hegemonie betwisten, met het middenrijk als buffer en slagveld. Wij, de lage landen, stonden vanuit beide kanten onder druk: Duitsland met zijn drang naar het Westen en de Noordzee, en vanuit het Zuiden Frankrijk dat de Schelde als natuurlijke grens ambieerde.

De ironie van de geschiedenis heeft gewild dat een goede duizend jaar later nabij hetzelfde stadje Verdun een van de bloedigste slachtingen van die Groote Oorlog zou plaats vinden. Met opnieuw de twee post-Karolingische erfvijanden tegenover elkaar.

Eénmaking als heilige oorlog

kareldegrotegebouwKarel de Grote dus, en zijn twijfelachtige nalatenschap. De Europese Unie eert hem als een patroonheilige. Het gebouw van de Europese Raad te Brussel draagt zijn naam, en elk jaar wordt er in Aken een naar hem genoemde Europese Vredesprijs uitgereikt. Men vergeet echter dat de door Carolus Magnus geforceerde éénmaking zelf druipt van het bloed. Met de goedkeuring van het Vatikaan richtte hij een -zelfs naar de maatstaven van die tijd- niets ontziende slachtpartij aan onder de zogenaamde ‘heidense’ volkeren die zich niet schikten naar zijn megalomane integratieplannen, zoals de Friezen, de Saksen, en de Longobarden.

Het bloedbad in 782, waar zo’n 5000 Saksische opstandelingen een kopje kleiner werden gemaakt, is berucht gebleven. Wat restte, werd gedeporteerd of kwam in een soort kamp terecht,- een methode die tot in de 20ste eeuw navolging zou krijgen. Om duidelijk te maken dat de genocide ook cultureel was, liet hij de mythische levensboom (Irminsul) vernietigen, die het middelpunt van hun religieus leven vormde. Het leverde Karel een pauselijke heiligverklaring op.

Het is veelzeggend dat de Europese Unie zich door de Heilige Oorlog van deze despoot laat inspireren om de Frans-Duitse oervete binnen de perken te houden. Terwijl Karel als éénmaker de eigenlijke oorzaak was van het probleem. Zijn invloed is enorm en weegt loodzwaar op de as Brussel/Straatsburg. Vanuit het Karolingische eenheidsideaal vertrekken zowat alle lijnen die we vandaag nog in de moderne Europese superbureaucratie aantreffen: het centralistische machtsdenken, het eindeloos brouwen van regels en reglementen, het trachten weg te gommen van regionalistische of autonomistische tendensen, het cultiveren van een monumentale retoriek waarin nu en dan ook kunstenaars en intellectuelen rondjes mogen lopen.

De ‘rand van de wereld’

Het democratisch deficit van de Europese Unie heeft dus heel oude wortels. Maar de Saksische reflex is nooit helemaal gedoofd: wat we vandaag her en der zien als regionalistische beweging, streeft eigenlijk naar een terugkeer van de organische entiteiten, de volksgemeenschappen die zich zelfs tijdens de Romeinse periode min of meer wisten te handhaven.

In zijn boek ‘The Edge of the World – How the North Sea made us who we are’ (zopas vertaald als: ‘Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde’) beschrijft historicus en journalist Michael Pye treffend hoe de volkeren aan de Noordzee al in de vroege middeleeuwen sterk op autonomie gesteld waren en er ‘moderne’ opvattingen op na hielden inzake economie, justitie, wetenschap, ethiek, kunst. Ze waren niet achterlijk, maar integendeel vooruitstrevender en fijnzinniger dan de regimes die hen probeerden te onderwerpen. Van de Vikings over de Friezen, de Vlamingen, en jawel, ook de Saksen, de Hanzesteden tot de Watergeuzen in de Spaanse tijd: het culturele hart van Europa ligt niet in het midden maar in de periferie.

Pye besluit,- en dat citaat wil ik u niet onthouden:

‘Als we het vandaag over Europa hebben, komt Karel de Grote vaak ter sprake met zijn gecentraliseerde rijk. Alleen: dat werkte niet. Ik ben niet blij met het centralisme van de Europese Unie: de macht gaat uit van het centrum naar de marge en dat is fundamenteel conservatief. We hebben nood aan de vrijheid en de dynamiek van de randen, aan de energie die voortkomt uit de uitwisseling en botsing van ideeën. We kunnen het beter over het Europa van de regio’s hebben. Waarom zijn we daar zo bang voor?’

Inderdaad, waar zijn we bang voor? Vanwaar die koudwatervrees om te decentraliseren en ‘kleiner’ te gaan? Het autonomisme ontkiemt echter niet alleen als politiek-staatkundige onafhankelijkheidsbeweging in Catalonië, Schotland en Vlaanderen. Misschien sterker en duurzamer nog zijn de collectieven die vandaag ontstaan, in de marge van het systeem, om de relatie tussen mens en natuur te gaan herwaarderen. Terug naar een zekere eenvoud en authenticiteit, meer kringloopbewust denken en leven.

Beeld u hierbij geen Amish-toestanden of sectair gedoe in: hier schuilt geavanceerde technologie achter. Zo hebben de inwoners van Schönau in het Zwarte Woud al sinds de jaren ’90 een eigen energiebedrijf opgericht dat zo’n 150.000 mensen van elektriciteit voorziet, uitsluitend lokaal gewonnen uit zon, wind en biogas. Zelfs de kerkdaken liggen vol zonnepanelen: via deze energiecoöperatieve konden tenslotte de grote elektriciteitsproducenten wandelen gestuurd worden, en kwam het net helemaal in eigen beheer.

Transitienetwerken

Deze autarkische gemeenschapskernen schieten overal in Europa spontaan als paddenstoelen uit de grond. Het kan gaan om straten, wijken, buurten, dorpen, steden, regio’s. Herwinbare energie en een neutrale afvalbalans zijn de technische sleutelbegrippen: niets gaat verloren, vrijwel alles wordt gerecycleerd. Ze beschouwen zich als laboratoria van een nieuw samenlevingsmodel, gebaseerd op duurzaamheid, levenskwaliteit en collectief verantwoordelijkheidsgevoel. Daarom worden ze ook wel Transition Towns genoemd.

Want het gemeenschappelijk beheer van energiebronnen en andere nutsvoorzieningen leidt uiteindelijk ook naar een andere levenswijze, een nieuwe arbeidsverdeling, een micro-economie van de uitwisseling en de ruil, meer aandacht voor wat er echt toe doet, meer tijd voor gezin en vrije tijd, meer zorg en solidariteit, minder stress en onveiligheidsgevoel.

De kernen gedragen zich autonoom maar niet geïsoleerd: ze vormen netwerken die intens informatie, diensten, personen, ideeën, goederen uitwisselen, maar altijd in functie van de kwaliteit, niet de kwantiteit en de groei-om-de-groei.

Op die manier komen we eigenlijk heel dicht bij wat Michael Pye vooropstelt: een Europa dat niet functioneert als een centraal bestuurde eenheidsstaat, maar als een republiek van republieken, een netwerk van autonome leefgemeenschappen met een sterk identitair besef én respect voor de aarde die we delen. Kracht die uitgaat van de marge naar het middelpunt, van de basis naar de top, en niet omgekeerd. Vlaanderen heeft de ideale afmeting om tot zo’n netwerkrepubliek uit te groeien, als deel van het nog grotere Europese netwerk.

Alle ronkende intentieverklaringen ten spijt: daar is het corrupte universum van Juncker en C° moreel niet tegen opgewassen. De anders-Europese beweging zal de oude natiestaten doen oplossen, samen met de betonnen sokkels in Brussel en Straatsburg, en heel het bureaucratische gangenstelsel. De bevrijding van Europa voltrekt zich via de regio’s en de gemeenschappen. De ecologische dimensie daarvan is onweerstaanbaar,- ze verbindt het kleine terug met het grote, de delen met het grote geheel. De levensboom is ooit gekapt, maar de wortels zijn intact gebleven en kunnen een nieuwe bloei van dit continent inluiden.

Gezocht: groen-Vlaamse partij mét een wervend verhaal

7 december 2014
by

Johan Sanctorum

Waarom ‘klimaatacties’ van TV-vedetten de politieke realiteit negeren

Maandag 1 december ging de VN-klimaatconferentie in Lima van start, die het eigenlijke klimaatakkoord van volgend jaar in Parijs moet voorbereiden. Uitdaging: de uitstoot van broeikasgassen, verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde, wereldwijd drastisch terugdringen.

Voor alle duidelijkheid: de situatie is alarmerend, wat klimaatnegationisten (die zich ‘klimaatrealisten’ noemen) ook mogen beweren. Een gemiddelde temperatuurverhoging van 2°C is al niet meer te vermijden tegen het einde van de eeuw. Wordt de grens van 4°C bereikt –en dat zal gebeuren als we de CO2-uitstoot niet radicaal afbouwen-, dan zullen verwoestijning, overstroming, orkanen en cyclonen, maar ook ziektes en hongersnood grote delen van de planeet onbewoonbaar maken. Er zal een overrompeling ontstaan van de schaarse leefbare plekken, gevolgd door een planetaire burgeroorlog die we vandaag alleen nog maar vanuit de SF-films kennen.

Maar het politieke getreuzel, het perfide handeltje in emissierechten, én de houding van de nieuwe groeilanden (China, India, Brazilië), zorgen ervoor dat de handen niet in elkaar geslagen worden. Erger nog: de publieke opinie zelf ligt er niet wakker van. In republikeins Amerika floreren de complottheorieën (‘de global warming-theorie als verzinsel van een linkse wetenschappelijke elite’), bij ons ook overigens, vooral aan de toog en op de sociale media. Terwijl sommige simpele zielen zich bij die temperatuursverhoging zelfs een aangenaam mediterraan klimaat in onze contreien voorstellen, vergetende dat de helft van Vlaanderen ondertussen onder de zeespiegel zal liggen.

Burgeractie of zoveelste BV-stunt?

De politici moeten schoppen onder hun gat krijgen, of er beweegt niets. Vanuit die optiek ontstond de actie ‘Klimaatzaak’: elf BV’s, waaronder Tom Lenaerts, Francesca Vanthielen, en (de onvermijdelijke) Nic Balthazar, schreven een open brief en gaan de overheid juridisch in gebreke stellen wegens ‘schuldig verzuim’ inzake beheersing van de CO2-uitstoot.

De aanvoerder van het groepje is Serge de Gheldere, klimaatambassadeur van Al Gore maar ook al tien jaar CEO van het goed boerende milieu-consultancybureau Futureproofed, dat grote multinationals zoals Nike en Bayer (en ook Colruyt bij ons) advies geeft over hoe ze zich een bio-label kunnen kopen. Of hoe je met het klimaat ook veel geld kan verdienen.

Over de rest van het BV-gezelschap hangt minstens een zweem van pronkzucht, waarbij het goede doel (bij voorkeur rond Kerstmis) ruikt naar goed geregisseerde zelfpromotie. Denk bijvoorbeeld ook aan het jaarlijkse ‘Music for Life’ van Studio Brussel: aardig, warm, liefdadig, maar vooral ook strelend voor de artiesten die hier hun markt- en straatwaarde komen opkrikken.

Bovendien, – en daar had Vlaams milieuminister Joke Schauvliege beslist een punt in haar repliek: wat zou de ecologische voetafdruk van die hectische, immer rondtoerende TV-sterren zelf wel zijn? Van Stijn Meuris bijvoorbeeld, bekend als vliegtuigfanaat. Wat is hun eigen bijdrage voor een schoner milieu? Makkelijk om dan in de Gentse Vooruit politiek-correct te staan gloriëren.

Dubieuzer nog is de redenering zelf rond de Klimaatzaak-actie. De overheid wordt voor de rechtbank gedaagd omdat ze te weinig doet aan de broeikasuitstoot. Maar wie is de overheid? U en ik natuurlijk, die partijen macht geven en onze vertegenwoordigers in het parlement kiezen. En laat ons eerlijk zijn: in de programma’s van de partijen aan wie de Vlaming het beleid toevertrouwde, staat bitter weinig over CO2-uitstoot. Bart De Wever, voorzitter van de grootste partij in Vlaanderen én België, liet er geen twijfel over bestaan: aan de bedrijfswagens wordt niet geraakt. Stond ook niet in het regeerakkoord, case closed.

Serge de Gheldere en C° maken dus een kanjer van een denkfout en raken qua legitimiteit hopeloos verstrikt: in een volwaardige democratie is het onzin om de overheid juridisch aan te klagen omwille van een gevoerde politiek die helemaal conform is met wat in de verkiezingstijd werd beloofd. Het is voor de rest aan de burger om uit te maken wat hij/zij maatschappelijk belangrijk vindt, zich eventueel te verenigen in een actiegroep, anderen te overtuigen, en finaal in het stemhokje het verdict uit te spreken. Het primaat van de politiek heet dat.

Sensibiliseren, laat staan massaal mobiliseren, doen de elf BV’s overigens niet. Veeleer percipiëren de mensen het als een stunt, een gemediatiseerd kijkstuk dat men vanuit de luie zetel tot zich neemt. Tom Lenaerts legt het in De Morgen van 2 december zo uit: Met een veroordeling door een rechtbank hopen we hen (de overheden dus) te kunnen helpen. Dan kunnen ze aan de kiezer zeggen: ‘We moeten het doen van de rechter’. Euh, is dat de bedoeling van het rechtssysteem? Als een soort paraplu fungeren voor maatregelen zonder draagvlak? Als een alternatief voor (goed bij kas zijnde) drukkingsgroepen die op een democratische manier hun gelijk niet halen?

Of mag ik nu ook een proces inspannen tegen de overheid wegens ‘schuldig verzuim’, omdat deze rechtsliberale regering een rits sociale correcties afschaft waardoor duizenden gezinnen de armoedegrens onder duiken? Allicht niet: we leven niet onder een dictatuur, de Vlaming heeft gekozen. En zal daar, zo mogen we hopen, een conclusie voor de toekomst aan verbinden.

Think global, act local

Dat brengt ons op de echte kern van de zaak: wij hebben in Vlaanderen geen partij met een wervend verhaal rond milieu, duurzaamheid en anders gaan leven. Ook Groen niet, dat met het Franstalige Ecolo één fractie vormt en zich helemaal ingegraven heeft in het Belgische immobilisme.

De Vlaamse groenen vormen zelfs de grootste hinderpaal voor een ‘vergroening’ van de Vlaamse publieke opinie: ze worden geassocieerd met het oude establishment, de linkse politieke correctheid, de bakfietsenelite, het multiculturele discours, en stoten zo de fameuze grondstroom af. De cijfers zijn er: dit blijft een partij die met moeite één tiende van het Vlaamse kiespubliek weet te bekoren. Terwijl,- dat weet ik zeker,- het aantal Vlamingen dat met milieu, levenskwaliteit, dierenwelzijn begaan is, biotuiniert, gezond wil eten, met alternatieve energie bezig is, de carrière-ratrace voor bekeken houdt, een veel groter politiek draagvlak inhoudt dan die Groen-cijfers laten vermoeden.

Het Europees Milieu-Agentschap kapittelt België omdat de regio’s hun inspanningen niet coördineren. Dat heb je nu eenmaal met een staat-in-afbouw. Des te dringender moet Vlaanderen zelf, als republiek-in-opbouw, dit helemaal naar zich toe trekken en milieuzorg maken tot een kernthema en topprioriteit. Niet alleen vanuit de bovenbouw, het beleid, maar vanuit het burgerlijk verantwoordelijkheidsgevoel en de zorg om wat onze kinderen en kleinkinderen te wachten staat. Een partij die daarvoor gaat, zal het verschil maken.

Want de paradox is, dat de milieuproblematiek, en dan zeker die van de planetaire opwarming, op de grootst mogelijk schaal moet aangepakt worden, maar dat de sensibilisering, de bewustwording, én de daadkracht zich op kleine schaal moeten ontwikkelen. Zoals het befaamde marketingdevies dus: ‘Think global, act local’.

Daarom ook is een nieuwe, maatschappelijk gedragen visie rond milieu, gezondheid, maar ook onthaasting, veiligheid, het collectieve thuisgevoel, afkeer van het teugelloze consumentisme, en een nieuwe kijk op arbeid en vrije tijd, iets dat moet ontkiemen in een Vlaams-autonomistische bedding. Het door inefficiëntie en een lakse politieke cultuur geplaagde België is daartoe een ongeschikt platform.

Het typeert hoger vernoemd kransje dat het die subtiliteit helemaal aan zich laat voorbijgaan. Francesca Vanthielen (ook woordvoerster van het nu stilletjes ter ziele gegane G-1000), Nic Balthazar, Stijn Meuris,- het zijn allemaal goede Belgen. Maar vooral ook slechte democraten en uithangborden van slordig politiek denkwerk.

Graag een ander, beter, breder ecologisch verhaal dat Vlamingen kan verbinden rond een nieuw geloof in de toekomst. Het groene momentum dat we nodig hebben, moet duurzamer en authentieker zijn dan het glitterige Kerstspel van een handvol BV’s.